C-701/25 Graudu sabiedriba  

Contentverzamelaar

C-701/25 Graudu sabiedriba  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 januari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     19 februari 2026

Trefwoorden: sanctielijst, beperkende maatregelen, arbitrale uitspraken, openbare orde

Onderwerp: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikel 17 en artikel 47, eerste alinea; Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen: artikel 1, onder a), punt v), artikel 2, leden 1 en 2, artikel 7 en artikel 11, lid 1, onder a) en b), en bijlage I, punten 645, 669 en 1576.

SIA Graudu sabiedrība (hierna: verweerder) en Grainexport SA (hierna: verzoekster) sloten een overeenkomst voor de verkoop en levering van tarwe. De levering vond echter niet tijdig plaats en verzoekster ontving noch de goederen, noch terugbetaling van het betaalde voorschot. Ter beslechting van het geschil wendde verzoekster zich tot het arbitragecollege van de Grain and Feed Trade Association (GAFTA), dat op 20 maart 2024 een bindende beslissing ten gunste van verzoekster gaf, waarbij verweerder werd veroordeeld tot terugbetaling. De arbitrale uitspraak is door de Letse rechter in eerste aanleg erkend. Verweerder stelde beroep in dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak in strijd zouden zijn met de verordening 269/2014 betreffende beperkende maatregelen vanwege de Russische agressie tegen Oekraïne. Verweerder stelde dat verzoekster verbonden is met personen en entiteiten die onder EU-sancties vallen, aangezien haar moedermaatschappij gedeeltelijk in handen is van de Russische Federatie, en dat dit de erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak belemmert. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de naleving van de sanctieregels van verordening  269/2014 moet worden beschouwd als een kwestie van openbare orde bij de erkenning van buitenlandse arbitrale uitspraken. 

Prejudiciële vragen: 
1. Moet een schending van verordening nr. 269/2014, gelet op het gemeenschappelijke standpunt van de Europese Unie tegen de militaire agressie van Rusland in Oekraïne en de sanctieregeling van de Europese Unie, worden beschouwd als een schending van de „openbare orde” wanneer in een lidstaat moet worden beslist op de erkenning van een buitenlandse arbitrale uitspraak overeenkomstig artikel V, lid 2, onder b), van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 1958? 

2. Moet artikel 2 van verordening nr. 269/2014 aldus worden uitgelegd dat een rechtspersoon als „verbonden rechtspersoon” moet worden beschouwd wanneer: a) de meerderheid van de leden van het toezichthoudend of bestuursorgaan van deze rechtspersoon feitelijk kan worden benoemd door personen op wie sancties van toepassing zijn; b) een overheidsentiteit die onder een ministerie van de Russische Federatie ressorteert indirect zeggenschap over deze rechtspersoon uitoefent? 

3. Geldt de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 269/2014 neergelegde verplichting om vorderingen niet toe te wijzen ook voor een rechtspersoon die als „verbonden” in de zin van artikel 2 van deze verordening wordt aangemerkt? 

4. Wat zijn, gelet op de feitelijke omstandigheden van het hoofdgeding, de rechtsgevolgen van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 269/2014, waarin is bepaald dat vorderingen van de in dat lid, onder a) of b), bedoelde personen „niet [worden] toegewezen”? 

5. Moeten de artikelen 7 en 11 van verordening nr. 269/2014 aldus worden uitgelegd dat de bij een rechter van een lidstaat gevoerde procedure voor de erkenning van een buitenlandse arbitrale uitspraak wordt geregeld door artikel 11, terwijl artikel 7 de tenuitvoerlegging – vrijwillig of via een gerechtsdeurwaarder – van die uitspraak regelt, en dat artikel 7 op zich geen grond vormt voor de erkenning van de arbitrale uitspraak voor de rechter van de lidstaat? 

6. Moet artikel 2, lid 2, van verordening nr. 269/2014, gelezen in samenhang met artikel 7 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de rechter van de lidstaat moet waarborgen dat zijn beslissing er niet toe leidt dat er direct of indirect tegoeden of economische middelen ter beschikking worden gesteld aan personen die verbonden zijn met in bijlage I vermelde personen? Zo ja, welke maatregelen moeten er daartoe dan worden genomen? 

7. Indien de zesde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: a) Is de rechter van de lidstaat verplicht om de vordering (het verzoek) af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren wanneer er geen garanties zijn dat de betaling zal worden gestort op een rekening bij een kredietinstelling waarop de tegoeden zullen worden bevroren en de rechter er dus niet op kan toezien dat de beslissing er niet toe zal leiden dat er direct of indirect tegoeden of economische middelen ter beschikking zullen worden gesteld aan personen die verbonden zijn met in bijlage I vermelde personen? b) Volstaat het om in het dictum van de beslissing een specifiek voorbehoud op te nemen waarin wordt verklaard dat de beslissing alleen ten uitvoer kan worden gelegd indien de betalingen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 269/2014 zullen worden bevroren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-536/13 Gazprom; C-126/97 Eco Swiss; C-753/21 en C-754/21 Instrubel; C-480/24 Čiekuri-Shishki; C-802/24

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZ

Gerelateerde documenten