C-710/25 Florinus
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 29 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 15 februari 2026
Trefwoorden: internationale rechterlijke bevoegdheid, hoofdelijke aansprakelijkheid
Onderwerp: Verordening nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid [..]: overwegingen 13, 15, 16, 21 en 35 en artikel 4, artikel 5, lid 1, artikel 8, punt 1, artikel 63, lid 1, en artikel 71, lid 1; Verordening 44/2001: artikel 6, punt 1.
Verzoekster is ‘Florinus’ ingeschreven in Litouwen. Zij heeft een verkoopovereenkomst afgesloten met de eerste verweerster (gevestigd in Polen), voor het kopen van beleggingsgoud. Met de tweede verweerster (FedEx) heeft verzoeker een overeenkomst gesloten voor de levering van het goud. Na een foutieve levering heeft verzoeker een beroep tot hoofdelijke schadevergoeding ingesteld tegen beide verweersters bij een rechtbank in Litouwen. Er is een nauwe band tussen de vorderingen van verweersters, maar omdat hun woonplaats in een verschillende lidstaat zijn gevestigd, zijn er vragen ontstaan over de (internationale) rechterlijke bevoegdheid van de Litouwse rechtbank.
Prejudiciële vragen: 1. Moet artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat het een verzoekende partij belet om een vordering in te stellen tegen een van de hoofdelijk aansprakelijke medeverweerders (in casu de verkoper), die gevestigd is in een andere staat, voor de rechter van de plaats waar de hoofdverweerder (in casu de vervoerder) is gevestigd, wanneer de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van de hoofdverweerder (in casu de vervoerder) niet wordt bepaald op grond van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van die verordening, maar, zoals in het onderhavige geval, op grond van de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 31, lid 1, onder a), CMR, die, net als artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, hetzelfde criterium voor de bevoegdheid vaststelt, namelijk de plaats waar de verwerende partij is gevestigd?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan, rekening houdend met het feit dat het CMR geen bijzondere bevoegdheidsregels bevat voor gevallen waarin er meerdere verweerders zijn, de rechterlijke instantie van een lidstaat, bij het bepalen van de internationale bevoegdheid en de keuze voor het internationale instrument (het CMR of verordening nr. 1215/2012) op grond waarvan de bevoegdheid ten aanzien van de hoofdverweerder (de vervoerder) moet worden bepaald wanneer het geschil binnen de werkingssfeer van zowel het CMR als verordening nr. 1215/2012 valt, afzien van de toepassing van de bijzondere bepaling van artikel 31, lid 1, onder a), CMR ten aanzien van de hoofdverweerder (de vervoerder) en in plaats daarvan artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 toepassen, en bijgevolg artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 toepassen ten aanzien van de medeverweerder, mits er tussen de vorderingen tegen een aantal verweerders een dermate nauw verband bestaat dat het dienstig is deze samen te behandelen en te beslechten teneinde het risico van onverenigbare beslissingen te vermijden?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-821/21 Club La Costa e.a.; C-800/19 Mittelbayerischer Verlag; C-451/18 Tibor-Trans; C-157/13 Nickel & Goeldner; C-452/12 Nipponkoa Insurance CO.; C-616/10 Solvay; C-145/10; C-533/08 TNT Express Nederland; C-98/06 Freeport; C-103/05, Reisch Montage.
Specifiek beleidsterrein: JenV