C-714/23 Benediktinerabtei Ettal

Contentverzamelaar

C-714/23 Benediktinerabtei Ettal

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    1 februari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    18 maart 2024

Trefwoorden: landbouw, overdracht, pacht

Onderwerp: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): artikel 63.

Feiten:

Verzoekende partij ‘Benediktinerabtei Ettal’ exploiteert een landbouwbedrijf met veeteelt. Verwerende partij ‘Bezirkshauptmannschaft Innsbruck’ heeft bij notariële overeenkomst benedictessenklooster grond geschonken aan verzoekende partij. Bij besluit van 30 april 2020 heeft de Bezirkshauptmannschaft Innsbruck de vergunning voor de eigendomsverkrijging geweigerd, hoofdzakelijk op grond dat de verkrijgster (verzoekende partij) wegens haar voornemen om de grond te verpachten niet als landbouwer in de procedure was opgetreden en dat daarom de procedure voor belanghebbenden moet worden gevolgd. Verzoekende partij stelt hiertegen beroep in, welke ongegrond wordt verklaard omdat zij niet de hoedanigheid van landbouwer heeft in de zin van de betreffende de Tiroolse wet op de grondoverdracht (hierna: TGVG). Daarnaast wordt in hoger beroep beargumenteerd dat zij het niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze de landbouwgrond duurzaam en behoorlijk mede zal bewerken.

Overweging:

Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een vergunning voor de verkrijging van landbouwgrond niet kan worden geweigerd op de enkele grond dat de verkrijger de betrokken grond niet zelf bewerkt in het kader van een landbouwbedrijf en er niet woont. Het verschil met de onderhavige zaak is dat de TGVG onderscheid maakt tussen landbouwers en niet-landbouwers en de verkrijger in casu in feite een landbouwer is. Volgens de TGVG moet een landbouwer op zijn minst de te verkrijgen grond mede bewerken. Dit betekent enerzijds dat de landbouwer de grond wil integreren in zijn hoofdbedrijf en anderzijds dat zijn hoofdbedrijf niet te ver van deze grond gelegen mag zijn. Aan deze twee voorwaarden is in casu niet voldaan. De verwijzende rechter twijfelt of de vergunningsvoorwaarden in overeenstemming zijn met het Unierecht en of verzoekende partij dus terecht de vergunning voor de verkrijging van de landbouwgrond is geweigerd.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling als § 6, lid 3, van het Tiroler Grundverkehrsgesetz (Tiroolse wet op de grondoverdracht uit 1996; TVGV 1996), waarin is bepaald dat de verkrijging van rechten op landbouwgrond door een landbouwer in de zin van § 2, lid 5, onder a), door de autoriteit die bevoegd is voor de overdracht van gronden, alleen wordt toegestaan wanneer de rechtsverkrijging niet in strijd is met de beginselen van § 1, lid 1, onder a), en de verkrijger van de rechten aannemelijk maakt dat hij de landbouwgrond in het kader van zijn bedrijf duurzaam en naar behoren mede bewerkt?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: Is er sprake van een objectief vergelijkbare situatie tussen enerzijds een landbouwer van wie het landbouwbedrijf in de geografische nabijheid van de te verkrijgen grond gelegen is en die voornemens is deze grond mede te bewerken als onderdeel van zijn bedrijf, en anderzijds een landbouwer van wie het landbouwbedrijf niet in de (bedrijfseconomisch te rechtvaardigen) geografische nabijheid van de te verkrijgen grond gelegen is en die ook niet voornemens is deze grond als onderdeel van zijn bedrijf mede te bewerken om aldus bij te dragen aan het levensonderhoud van zijn bedrijf, maar in de plaats daarvan de grond krachtens een pachtovereenkomst of voor onbepaalde tijd krachtens een overeenkomst van bezetting ter bede ter beschikking stelt van plaatselijke landbouwers voor de bewerking?

2.a Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan de beperking van het vrije verkeer van kapitaal worden gerechtvaardigd door het feit dat productieve land- en bosbouwbedrijven opgericht, in stand gehouden of uitgebreid worden, aangezien de §§ 6, 7 en 7a TGVG 1996 tot doel hebben ervoor te zorgen dat landbouwers landbouwgrond duurzaam en doelmatig bewerken in het kader van hun bedrijf, teneinde landbouwbedrijven uit te breiden alsook versnippering en oneigenlijk gebruik van landbouwgrond te voorkomen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-452/01

Specifiek beleidsterrein: LNV