C-716/25 Societa Agricola Jure
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 17 februari 2026
Trefwoorden: hennepteelt, drugsbeleid
Onderwerp: VWEU: artikelen 34 en 36; Richtlijn 2002/53; Richtlijn 2002/57; Verordening 1307/2013; Verordening 1308/2013; Verordening 2115/2021; Verordening 126/2022
Verzoeker is een landbouwonderneming die zich bezighoudt met de teelt, bewerking en verwerking van hennep voor verschillende doeleinden. Verzoeker is opgekomen tegen een besluit van het Ministerie van Landbouw die het handelen van bepaalde delen van de cannabisplant verbiedt zonder vergunning, omdat het Unierecht dit in de gemeenschappelijke rassenlijst wel toelaat voor rassen met een laag THC-gehalte. De verwijzende rechter vraagt het Hof om de nationale bepalingen te toetsen aan de Unieregelgeving inzake het gemeenschappelijke landbouwbeleid, inzake het gebruik van verdovende middelen en de beperkingen van de interne markt.
Prejudiciële vragen:
1) Staan artikel 38 VWEU en de aangehaalde bepalingen van de richtlijnen 2002/53/EG, 2002/57/EG en de verordeningen nr. 1307/2013, nr. 1308/2013, nr. 2115/2021 en nr. 126/2022 in de weg aan een nationale regeling zoals die welke voortvloeit uit de artikelen 14 en 17 en tabel II van decreto del Presidente della Repubblica (presidentieel besluit) nr. 309/90 en de artikelen 1 en 2 van wet nr. 242/2016, in de tot en met 11 april 2025 geldende versie, gelezen in hun onderlinge samenhang en zoals uitgelegd in het geldende recht, voor zover die regeling niet toestaat om de plant Cannabis sativa te telen en te gebruiken, die behoort tot de rassen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen als bedoeld in richtlijn 2002/53/EG, waarvan het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan de waarde die overeenkomstig artikel 32, lid 6, en artikel 35, lid 3, van verordening (EU) nr. 1307/2013 is vastgesteld voor het gebruik van i) de bladeren, ii) de bloemen, iii) de olie en iv) de hars ervan, ongeacht het THC-gehalte in die delen van de plant, en, wat betreft olie, zonder onderscheid tussen olie die wordt gewonnen uit zaad en olie die wordt gewonnen uit de bloemen en de bladeren, hetgeen in feite betekent dat ook het produceren en verhandelen van olie die uit het zaad van de plant wordt gewonnen, wordt verboden?
2) Staan de artikelen 34, 35 en 36 VWEU, naast kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 en de aangehaalde bepalingen van de verordeningen nr. 178/2002 en nr. 1223/2009, in de weg aan een nationale regeling als die welke voortvloeit uit de artikelen 14 en 17 en tabel II van decreto del Presidente della Repubblica nr. 309/90 en de artikelen 1 en 2 van wet nr. 242/2016, in de tot en met 11 april 2025 geldende versie, gelezen in hun onderlinge samenhang en zoals uitgelegd in het geldende recht, voor zover die regeling niet toestaat de plant Cannabis sativa, die behoort tot de rassen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen als bedoeld in richtlijn 2002/53/EG, waarvan het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan de waarde die overeenkomstig artikel 32, lid 6, en artikel 35, lid 3, van verordening (EU) nr. 1307/2013 is vastgesteld, te telen en te gebruiken voor het produceren en verhandelen van de bladeren, de bloemen en daarvan afgeleide producten, waaronder cannabidiol dat uit de bladeren en bloemen van deze planten wordt gewonnen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-663/18 B S en C A (Verhandeling van Canabidiol CBD).
Specifiek beleidsterrein: LVVN; JenV