C-717/25 Gradnja montaznih his
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 18 februari 2026
Trefwoorden: Doeltreffende voorziening in rechte, tenuitvoerleggingsprocedure, beroepstermijn Onderwerp: Verordening (EG) 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen: Artikel 20, lid 1; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: Artikel 47, eerste alinea; VWEU: Artikel 67, leden 1 en 4; Verordening (EU) 2020/1784 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking): Artikel 1 en overwegingen 5 en 6.
IF, een Oostenrijkse schuldeiser, heeft in Slovenië een tenuitvoerleggingsprocedure ingesteld om een beslissing van de Oostenrijkse rechter ten uitvoer te leggen. De Sloveense rechter heeft dit verzoek van gehonoreerd, waartegen de schuldenaar verzet heeft ingesteld. De Sloveense rechter wees het verzet van de schuldenaar af, maar bepaalde dat IF zijn eigen proceskosten moest betalen. IF stelde hiertegen pas na 19 dagen hoger beroep in. De nationale rechter verwierp het hoger beroep wegens te late indiening. Het Sloveense recht bepaalt dat hoger beroep tegen bepaalde beslissingen binnen acht dagen moet worden ingesteld, en dat termijnen worden berekend inclusief weekends en feestdagen behalve wanneer de termijn op zo’n dag afloopt. De verwijzende rechter wijst erop dat volgens het Unierecht de tenuitvoerleggingsprocedure wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, maar dat dit niet mag leiden tot een schending van de fundamentele rechten zoals het recht op een doeltreffende voorziening. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de Sloveense regeling in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure verenigbaar is met het Unierecht.
Prejudiciële vragen: 1. Moet artikel 47, eerste alinea, van het Handvest betreffende het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, gelezen in samenhang met artikel 67, leden 1 en 4, VWEU, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan een nationale regeling als die van artikel 9, derde alinea, ZIZ, die overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 van toepassing is wanneer de tenuitvoerleggingsprocedure op grond van een in een andere lidstaat gegeven beslissing die als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, voor een rechter in de Republiek Slovenië wordt gevoerd, en volgens welke de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing waarbij de rechter uitspraak doet over de kosten van de schuldeiser voor zijn verweer tegen een akte van verzet, acht dagen bedraagt, gelet op het feit dat deze termijn eveneens geldt indien een uit een andere lidstaat afkomstige partij – die de taal waarin de beslissing is opgesteld en de taal waarin het beroep moet worden ingesteld niet begrijpt maar wel een gemachtigde vertegenwoordiger heeft in de Republiek Slovenië, aan wie de beslissing eveneens is betekend – in feite slechts vier werkdagen heeft om het hoger beroep tegen die beslissing voor te bereiden en in te stellen?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: 2. Welke minimumtermijn zou passend zijn voor het instellen van hoger beroep tegen een beslissing waarbij uitspraak is gedaan over de kosten die de schuldeiser heeft gemaakt voor zijn verweer tegen een akte van verzet, om schending van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest te vermijden?
3. Zou voor het instellen van hoger beroep een termijn van minder dan 19 dagen na de betekening van de beslissing waarbij uitspraak is gedaan over de kosten van de schuldeiser voor zijn verweer tegen een akte van verzet, passend zijn om schending artikel 47, eerste alinea, van het Handvest te vermijden?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-7/21 LKW WALTER.
Specifiek beleidsterrein: JenV