C-720/21 Rzecznik Praw Obywatelskich

Contentverzamelaar

C-720/21 Rzecznik Praw Obywatelskich

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    26 maart 2022

Trefwoorden : oneerlijke bedingen, kracht van gewijsde, rechtsmiddelen

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Feiten:

Op 18-01-2008 hebben de verzoekers in het hoofdgeding, met de verwerende bank een woonleningsovereenkomst voor de aankoop van een onroerend goed gesloten. Op grond van de betrokken overeenkomst heeft de bank zich ertoe verbonden hun een lening luidende in Poolse zloty te verstrekken, met een tegenwaarde van 123 180,80 CHF. Bij brief van 09-02-2016 hebben verzoekers de bank aangemaand om alle bedragen die zij uit hoofde van de terugbetaling van de lening hadden ontvangen, binnen zeven dagen na ontvangst van de aanmaning terug te betalen, waarbij zij zich hebben beroepen op de nietigheid van de leningsovereenkomst. Bij vordering van 26-08-2016 hebben verzoekers de Poolse rechter in eerste aanleg verzocht om de verwerende bank te veroordelen tot betaling van een bedrag van 249 PLN aan elk van hen, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 18-02-2016 tot de datum van betaling, alsook tot betaling, ten gunste van verzoekers, van de kosten van het geding. Deze vordering is afgewezen door de rechter, die geen gronden vond om de bedingen van de leningsovereenkomst als oneerlijk aan te merken. Tegen dit vonnis hebben verzoekers hoger beroep ingesteld welke is verworpen aangezien de Poolse rechter in tweede aanleg oordeelde dat het door verzoekers betwiste beding, dat de zogenoemde valutaspread regelt, niet de eigenlijke prestatie van partijen uitmaakte, geen grove schending was van de belangen van de consumenten en dus niet voldeed aan de voorwaarden voor misbruik. Tegen het vonnis van de rechter in tweede aanleg heeft de Poolse ombudsman buitengewoon beroep ingesteld. In zijn buitengewoon beroep heeft de ombudsman erop gewezen dat de door verzoekers betwiste bedingen van de overeenkomst volgens hem de werkelijke omvang van de prestatie van de bank en van de prestaties van de kredietnemers niet precies omschreven op een wijze die zonder een beslissing van de verwerende bank kon worden vastgesteld.

Overweging:

In dit verband rijst twijfel over de onderlinge verhouding tussen het beginsel van stabiliteit van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen en het beginsel van doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, dat vereist dat het Unierecht volledig wordt toegepast in alle lidstaten, waarbij de lidstaten ertoe gehouden zijn ervoor te zorgen dat rechtsmiddelen ter bescherming van rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht ontleende subjectieve rechten niet minder gunstig zijn dan soortgelijke nationaalrechtelijke rechtsmiddelen. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de juiste uitlegging van de Verdragen vereist dat een rechtsmiddel als het buitengewoon beroep voor de verzekering van het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht ook ontvankelijk is wanneer de bepaling waarop dit buitengewone beroep is gebaseerd, de mogelijkheid om een buitengewoon beroep in te stellen uitdrukkelijk en categorisch afhankelijk stelt van de „eerbiediging van het beginsel van de democratische rechtsstaat die uitvoering geeft aan het beginsel van sociale rechtvaardigheid”, waardoor deze voorwaarde niet alleen voor de inwilliging maar ook voor de instelling van een buitengewoon beroep dwingend en essentieel wordt. De tweede vraag betreft de uitlegging, in het kader van het gemeenschapsrecht, van de bepaling volgens welke een buitengewoon beroep kan worden toegewezen indien de bestreden beslissing de in de Poolse grondwet neergelegde beginselen of vrijheden of de rechten van de mens en de burger schendt. In deze context rijst de vraag of schending van het Unierecht kan worden beschouwd als een voorwaarde die vergelijkbaar is met die van schending van in de grondwet van een lidstaat neergelegde beginselen, om een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te vernietigen of te herzien, wanneer een rechtsmiddel als een buitengewoon beroep wordt ingesteld. De derde vraag betreft de twijfel of een onjuiste beslissing ten gronde van een nationale rechter als gevolg van schending van het Unierecht, die in kracht van gewijsde is gegaan, kan worden vernietigd of gewijzigd door middel van een rechtsmiddel als een buitengewoon beroep, dat de instelling ervan afhankelijk stelt van de vaststelling dat er sprake is van een „grove” schending van het recht.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, juncto artikel 4, lid 3, en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het de ontvankelijkheid van een middel als het buitengewoon beroep voorop stellen, dat ertoe strekt een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing opnieuw ter discussie te stellen indien de noodzaak rijst om „het beginsel van de democratische rechtsstaat die uitvoering geeft aan het beginsel van sociale rechtvaardigheid te eerbiedigen” indien het gebruik van dat middel noodzakelijk is voor de verzekering van het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht?

2. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie juncto artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juncto artikel 4, lid 3, en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de bepalingen van het nationale recht die de wijziging of de vernietiging van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing door middel van een rechtsmiddel als een buitengewoon beroep mogelijk maken in geval van schending van in de grondwet van een lidstaat neergelegde beginselen, ook in het geval van schending van het Unierecht een grondslag kunnen vormen voor de vernietiging of de wijziging van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing?

3. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, juncto artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, juncto artikel 4, lid 3, en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een – vanuit het standpunt van het Unierecht – onjuiste beslissing ten gronde van een nationale rechter als gevolg van schending van het Unierecht, die in kracht van gewijsde is gegaan, kan worden vernietigd of gewijzigd door middel van een rechtsmiddel als een buitengewoon beroep, dat het instellen ervan afhankelijk stelt van de vaststelling dat er sprake is van een „grove” schending van het recht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK, JenV