C-722/25 Wertergen
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 18 februari 2026
Trefwoorden: EAB (Europees aanhoudingsbevel), rechterlijke toetsing, evenredigheid, effectieve rechterlijke bescherming
Onderwerp: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: Artikel 47; Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de EU-landen Artikel 1 en 8.
PG is een Nederlandse onderdaan die een gevangenisstraf uitzit in de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein. Griekenland heeft voor PG een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd wegens ernstige strafbare feiten (vorming en lidmaatschap van een criminele organisatie en medeplegen van moord). Het EAB is uitgevaardigd door de Griekse officier van justitie op basis van een nationaal aanhoudingsbevel dat door een rechter is uitgevaardigd. De beslissing tot uitvaardiging van het EAB is voorafgaand aan de overlevering niet aan rechterlijke toetsing van evenredigheid onderworpen. De Rechtbank Amsterdam concludeert dat ten behoeve van effectieve rechterlijke bescherming een EAB gebaseerd moet zijn op een nationale rechterlijke beslissing die voorafgaand aan de overlevering wordt getoetst, en dat in deze zaak niet is gebleken dat het Griekse EAB aan deze voorwaarden voldoet. De rechtbank vraagt het Hof of het verenigbaar is met het Unierecht dat een nationaal aanhoudingsbevel dat door een rechter is uitgevaardigd pas na overlevering aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen.
Prejudiciële vragen: Moet artikel 8, eerste lid. onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd, dat niet is voldaan aan de vereisten die inherentzijn aan de effectieve rechterlijke bescherming die een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, moet genieten, indien: - het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een openbaar aanklager- die kan worden aangemerkt als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit" in de zin van artikel 6, eerste lid, van dat kaderbesluit maar -, wiens beslissing tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel niet vatbaar is voor rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon, terwijl - dat Europees aanhoudingsbevel berust op een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een rechter die bij de uitvaardiging van dat bevel niet de voorwaarden voor uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid daarvan heeft getoetst en wiens beslissing niet vatbaar is voor een dergelijke rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-648/20 PPU PI (Svishtov Regional Prosecittor's Office); C-566/19 & C-626/19 PPU Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg (Procureurs de Lyon et Tours); C-625/19 PPU Openbaar Ministerie (Parquet de Suède); C-414/20 PPU MM.
Specifiek beleidsterrein: JenV