C-73/16 Puškár

Contentverzamelaar

Terug C-73/16 Puškár

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   25 maart 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       11 april 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   11 mei 2016
Trefwoorden: bescherming persoonsgegevens; handvest grondrechten

Onderwerp
- Handvest grondrechten artikel 7 (eerbiediging privéleven); artikel 8 (bescherming persoonsgegevens); artikel 47 (effectieve rechtsbescherming); artikel 52 (reikwijdte)
- Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

Verzoeker heeft op 19-11-2014 een beroepschrift ingediend waarmee hij verzoekt om alle SLW belastingAut te verbieden zijn naam en identificatiegegevens te plaatsen op een (‘zwarte’) lijst van natuurlijke personen die volgens het openbaar bestuur zijn te beschouwen als ‘stromannen’. Het bestaan van de lijst is bevestigd door verweerster (belastingdienst). Verzoeker stelt dat vermelding op de lijst inbreuk maakt op zijn recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de goede naam. De verwijzende rechter heeft het beroep ongegrond verklaard, waarna verzoeker zich tot het constitutioneel Hof heeft gewend. Dat Hof stelt verzoeker in het gelijk, vernietigt de uitspraak van de verwijzende rechter en wijst de zaak terug. Hij heeft met name gewezen op rechtspraak van het EHRM op het gebied van bescherming persoonsgegevens en privéleven (zie punt 6). Hij verwerpt het oordeel van de verwijzende rechter dat beroep in rechte pas mogelijk is na uitputting van de bezwaarmogelijkheden. Ook verwijt hij de verwijzende rechter geen rekening te hebben gehouden met uitspraken van het HvJEU en concludeert dat vragen aan het HvJEU dienen te worden voorgelegd.

De verwijzende hoogste SLW rechter haalt de nationale regeling (in Wb Rv) aan waarin gesteld dat op straffe van niet-ontvankelijkheid van een beroep alle administratieve mogelijkheden moeten zijn uitgeput. Hij ziet daarvan wel de voordelen. De rechter wijst op de beperking van het recht op bescherming persoonsgegevens (zoals het in casu verzamelen daarvan zonder toestemming van verzoeker) indien dat noodzakelijk is ter bescherming van het algemeen belang, of een rechtmatig belang. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat het om een interne lijst van verweerster gaat waarvan de niet-toegankelijkheid door technische beveiliging is gewaarborgd. Aangezien niet duidelijk is dat verzoeker toestemming had voor toegang tot de lijst vraagt de verwijzende rechter zich af of hier sprake is van toelaatbaar bewijs. Ingevolge het Wb Rv is de SLW rechter gebonden aan rechtspraak van het EHRM. De verwijzende rechter vraagt zich af of het verenigbaar is met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke behandeling (artikel 47 Handvest) dat de nationale rechter, ingeval de rechtspraak van het EHRM in een bepaald geval verschilt van het eventueel door het HvJEU verstrekte antwoord, op basis van het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU voorrang geeft aan de rechtspraak van het HvJEU. Zijn vragen luiden als volgt:
1. Moet artikel 47, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – op grond waarvan eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten, dus ook het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens neergelegd in de artikelen 1, lid 1, en volgende van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden – aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan voor de toegang tot een doeltreffende voorziening in rechte, zoals een verzoek aan de bestuursrechter, de voorwaarde geldt dat de verzoeker ter bescherming van zijn rechten en vrijheden alvorens zich tot de rechter te wenden de door de bepalingen van een bijzondere wet zoals de nationale wet op het administratief bezwaar geboden mogelijkheden heeft uitgeput?
2. Kunnen het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie, neergelegd in artikel 7, en het recht op bescherming van persoonsgegevens, neergelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in geval van beweerde schending van het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals daaraan met betrekking tot de Europese Unie vooral uitvoering is gegeven in voormelde richtlijn 95/46, zoals inzonderheid:
– de verplichting van de lidstaten, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen (artikel [1], lid 1), alsook
– de mogelijkheid van de lidstaten, te voorzien in de verwerking van persoonsgegevens wanneer dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang [artikel 7, onder e)] of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt,
– en gelet bovendien op de uitzonderlijke bevoegdheden van de lidstaat [de reikwijdte van de rechten en verplichtingen te beperken] [artikel 13, lid 1, onder e) en f)] wanneer die beperking noodzakelijk is ter vrijwaring van een belangrijk economisch en financieel belang van een lidstaat of van de Europese Unie, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet zonder instemming van de belanghebbende persoon registers van persoonsgegevens ten behoeve van de belastingadministratie mag aanhouden en dat dus de verkrijging van persoonsgegevens van een overheidsorgaan ten behoeve van de bestrijding van belastingfraude op zich een risico meebrengt?
3. Kan een register van een financiële instantie van een lidstaat dat de persoonsgegevens van [verzoeker] bevat en waarvan de niet-toegankelijkheid gewaarborgd is door passende technische en organisatorische maatregelen om de persoonsgegevens te beveiligen tegen niet-toegelaten verspreiding of toegang in de zin van artikel 17, lid 1, van voormelde richtlijn 95/46, waartoe [verzoeker] zich toegang heeft verschaft zonder daartoe rechtmatig toestemming te hebben gekregen van die financiële instantie van die lidstaat, worden beschouwd als onrechtmatig bewijs waarvan de gebruikmaking door de nationale rechter moet worden geweigerd overeenkomstig het Unierechtelijke beginsel van een eerlijke behandeling zoals neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
4. Is het verenigbaar met bovenvermeld recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijke behandeling (inzonderheid met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie), wanneer de nationale rechter, ingeval de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens in een bepaald geval afwijkt van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie verstrekte antwoord, op basis van het beginsel van loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU voorrang geeft aan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie?
Aangehaalde jurisprudentie: C-617/10 Akerberg Fransson
Specifiek beleidsterrein: VenJ, BZK

Gerelateerde documenten