C-732/25 Volkswagen
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 6 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 23 februari 2026
Trefwoorden: typegoedkeuring motorvoertuigen, manipulatie-instrument, bewijslast
Onderwerp: Verordening 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen [..]: artikel 5, lid 2 juncto artikel 3, punt 10; Uitvoeringsverordening 692/2008: artikel 3.
Verzoeker vordert schadevergoeding wegens een vermeend ongeoorloofd manipulatie-instrument in de motor van zijn auto. De fabrikant van het voertuig is Audi. Volkswagen, tevens verwerende partij, is de fabrikant van de motor. De verwijzende rechter stelt het Hof vragen over de kwalificatie van manipulatie-instrument in de zin van verordening 715/2007, en over de bijbehorende bewijslast.
Prejudiciële vragen: 1. a) Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 en artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 692/2008/EG aldus te worden uitgelegd dat bij een onder verordening (EG) nr. 715/2007 vallend voertuig met een dieselmotor dat is uitgerust met systemen voor uitlaatgasrecirculatie (EGR-systeem) en uitlaatgasnabehandeling (SCR-systeem), voor de kwalificatie ervan als manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 moet worden uitgegaan van de vraag of de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem als geheel (met inbegrip van alle aanwezige systemen voor uitlaatgasrecirculatie en -nabehandeling) wordt verminderd dan wel van de vraag of de doelmatigheid van afzonderlijke constructieonderdelen (bijvoorbeeld „thermovenster” of de SCR-katalysator) als op zich staande emissiecontrolesystemen wordt verminderd? b) Dienen artikel 3, punt 10, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat voor de kwalificatie als ongeoorloofd manipulatie-instrument uitsluitend doorslaggevend is dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem – ongeacht of het gaat om een afzonderlijk constructieonderdeel of om het systeem als geheel [zie eerste prejudiciële vraag, onder a)] – onder normale gebruiksomstandigheden wordt verminderd of is daarnaast vereist dat (ten minste) één van de in bijlage I van verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden wordt overschreden?
2. Voor het geval dat moet worden uitgegaan van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel: a) Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat de koper van een dieselvoertuig voldoet aan zijn stelplicht inzake het bestaan van een ongeoorloofd manipulatie-instrument indien hij aanvoert dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel (bijvoorbeeld een „thermovenster”) dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert en dient de voertuigfabrikant in dat geval aan te tonen dat het systeem in zijn geheel geen vermindering van de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem tot gevolg heeft, of moet de koper ook aantonen dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die het nadelige effect compenseren? b) Dient artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007, mocht de stelplicht met betrekking tot het systeem in zijn geheel en de daaruit naar nationaal recht voortvloeiende bewijslast bij de koper liggen, aldus te worden uitgelegd dat zelfs een nationale regeling uit hoofde waarvan de fabrikant in dat geval verplicht is mee te werken aan de vaststelling van de feiten, toch niet met het Unierecht, in het bijzonder met het doeltreffendheidsbeginsel, in overeenstemming is, zodat vanuit het oogpunt van het Unierecht de bewijslast ook dan op de fabrikant moet rusten?
3. Dienen artikel 3, punt 10, artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 (juncto artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 692/2008/EG) aldus te worden uitgelegd dat de constructieonderdelen van een dieselvoertuig die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd dat de naleving van de in bijlage I bij verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden niet alleen is gewaarborgd bij de voorgeschreven tests in het kader van de toepasselijke typegoedkeuringsprocedure (in casu: nieuwe Europese rijcyclustest, NEDC), maar ook onder daadwerkelijke rijomstandigheden bij normaal gebruik van het voertuig (reële gebruiksomstandigheden)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-100/21 Mercedes-Benz Group; C-128/20 GSMB Invest.
Specifiek beleidsterrein: IenW