C-733/23   Beach and bar management

Contentverzamelaar

C-733/23   Beach and bar management

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    13 februari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    30 maart 2024

Trefwoorden: bestuurlijke dwangmaatregelen; boetebeschikkingen

Onderwerp:

-             Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): artikelen 47, 49, lid 3, en 50;

-             Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: artikel 325;

-             Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: artikel 273.

Feiten:

Verzoekende partij in hoofdgeding is ‘Beach and bar management’ EOOD (hierna: management), welke een bedrijfsruimte van een bar met restaurant exploiteert. Belastinginspecteurs hebben de ruimte onderzocht, waarna ze een proces-verbaal hebben opgesteld waarin staat dat er met betrekking tot vijfentachtig betalingstransacties geen fiscale kassabonnen met de in het restaurant aanwezige fiscale toestellen zijn uitgereikt. De administratieve autoriteit heeft twee bestuurlijke dwangmaatregelen opgelegd, de verzegeling van een bedrijfsruimte en een toegangsverbod. Tevens heeft de autoriteit vijfentachtig boetebeschikkingen opgelegd. Hiertegen is bezwaar gemaakt. 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of de vaststelling van de bestuurlijke dwangmaatregelen en het opleggen van vijfentachtig boetebeschikkingen in strijd zijn met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn. De maatregel voor in totaal vijfentachtig overtredingen is gelast zonder dat de omvang van de voor elke overtreding opgelegde maatregel is geïndividualiseerd. Hierdoor kan de evenredigheid van de maatregelen en de ‘afschrikbare werking’ in de zin van artikel 325 VWEU niet onderzocht worden. De bestuurlijke dwangmaatregel is volgens de verwijzende rechter niet repressief, maar beperkend. Tevens twijfelt de verwijzende rechter of het recht op een doeltreffende voorziening geschonden wordt, omdat er geen verdedigingsmechanisme bestaat voor elke individuele overtreding.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij een nationale regeling toestaan volgens welke voor meervoudige overtredingen van belastingverplichtingen een algemene maatregel („verzegeling van een bedrijfsruimte en toegangsverbod”) kan worden gelast, indien deze maatregel uitsluitend tot doel heeft om de nadelige gevolgen, waaronder de omvang van de schade voor de financiële belangen van de Europese Unie, te beperken, maar niet om de overtreder te bestraffen, zonder dat deze maatregel de mogelijkheid beperkt om tegen deze laatste voor elk van deze overtredingen van de belastingverplichtingen zelfstandige procedures met repressief karakter in te leiden, die ertoe strekken aan de belastingplichtige een maatregel in de vorm van een geldboete op te leggen, waarbij de nationale rechter verplicht is om in elk individueel geval te onderzoeken en vast te stellen welke van de twee doelstellingen wordt nagestreefd met de eerder gelaste algemene bestuurlijke dwangmaatregel „verzegeling van een bedrijfsruimte en toegangsverbod” – een preventief-beperkende of een repressieve doelstelling?

2) Moeten artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een sanctieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is die, ongeacht de aard en de zwaarte van de overtredingen, een hoge ondergrens voor de sanctie in de vorm van een geldboete vaststelt, zonder te voorzien in de mogelijkheid dat een sanctie onder het wettelijke minimum wordt opgelegd of dat deze wordt vervangen door een lichtere sanctie?

3) Moeten artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, artikel 47, eerste alinea, artikel 48, lid 1, en artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan voor meervoudige overtredingen van belastingverplichtingen een algemene maatregel („verzegeling van een bedrijfsruimte en toegangsverbod”) kan worden gelast en, voordat deze definitief is geworden, voorlopig ten uitvoer kan worden gelegd, zonder dat de rechter of de overtreder zelf de mogelijkheid heeft om de evenredigheid ervan tot de zwaarte van elke afzonderlijke bestuursrechtelijke overtreding te toetsen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-97/21 MV; C-489/10; C-617/10

Specifiek beleidsterrein: FIN; JenV