C-743/25 en C-767/25 Skrujc e.a.

Contentverzamelaar

C-743/25 en C-767/25 Skrujc e.a.

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     27 maart 2026

Trefwoorden: pensioenregeling, onafhankelijkheid rechterlijke macht
Onderwerp: VEU: artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 19.

De zaken betreffen militaire strafzaken in hoger beroep. De zaak is toegewezen aan een rechtsprekende formatie van drie rechters. Een van de zittende rechters nadert de leeftijd van 65 jaar, maar is door de nationale raad voor de rechtspraak (KRS) het recht geweigerd om een intentieverklaring neer te leggen op grond waarvan rechters hun ambt na die leeftijd kunnen blijven uitoefenen. De verwijzende rechter heeft twijfels over de rechtmatigheid van de definitieve besluiten van het KRS, omdat deze raad geen onafhankelijkheid waarborgt van de politiek macht, en arresten van het Hof niet naleeft.

Prejudiciële vragen C-743/25:
1. Moet het Unierecht, waaronder artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: „VEU”), gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen als artikel 69, leden 1 en 1a, van de Ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001, gelezen in samenhang met artikel 70, lid 1, van de Ustawa – Prawo o ustroju sądów wojskowych (wet inzake de organisatie van de militaire rechterlijke instanties) van 21 augustus 1997, op grond waarvan de bevoegdheid om toestemming te verlenen voor de verdere uitoefening van het ambt van rechter na het bereiken van de pensioenleeftijd is toegewezen aan een orgaan als de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: „KRS”), dat, gelet op de manier waarop zijn leden worden gekozen en de wijze van functionering, geen waarborgen biedt voor onafhankelijkheid van de politieke macht, en waarvan het besluit inzake de verdere uitoefening van het ambt van rechter definitief is? 

2. Moet het Unierecht, waaronder artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3, VEU, en artikel 19, lid 1, eerste alinea, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een praktijk van de KRS die inhoudt dat de KRS in de loop van de procedure voor het verlenen van toestemming voor de verdere uitoefening van het ambt van rechter weigert bepaalde elementen van uitlegging van het Unierecht in een arrest van het Hof – zoals het arrest van 3 juli 2025, Lita en Jeszek, C-646/23 en C-661/23, EU:C:2025:519 – in aanmerking te nemen, als gevolg waarvan deze procedure zonder besluit wordt beëindigd omdat de rechter op wie de procedure betrekking heeft al op pensioen is gesteld op grond van de bepalingen van nationaal recht die volgens dat arrest in strijd zijn met het Unierecht? 

3. Indien de eerste of tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten het Unierecht, waaronder artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, en het beginsel van voorrang van het Unierecht, aldus worden uitgelegd dat nationale instanties – waaronder een nationale rechterlijke instantie, de organen van een rechterlijke instantie die bevoegd zijn om de samenstelling van de rechtsprekende formaties van een nationale rechterlijke instantie vast te stellen en te wijzigen of die bevoegd zijn te beslissen over de verdere uitoefening van het ambt van rechter, en de KRS – verplicht zijn te weigeren bindende kracht toe te kennen aan het in de tweede vraag bedoelde besluit van de KRS om de procedure te beëindigen, als gevolg waarvan de betreffende rechter zijn ambt na het bereiken van de pensioenleeftijd kan blijven uitoefenen totdat zijn zaak is behandeld door de KRS in een samenstelling die waarborgen biedt voor zijn onafhankelijkheid van de politieke macht, of totdat hij de uitgestelde pensioenleeftijd heeft bereikt?

De prejudiciële vragen in de zaak C-767/25 zijn bijna identiek aan die in C-743/25. Zie ook de verwijzingsbeslissing. 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-646/23 en C-661/23; C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II 

Specifiek beleidsterrein: JenV