C-747/25 Abazulgol
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 26 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 12 maart 2026
Trefwoorden: verblijfsrecht, intrekking vluchtelingenstatus, evenredigheidstoets
Onderwerp: Handvest: artikel 47; Richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten: overwegingen 4, 12, 15 16, 37, artikel 14, lid 4 en artikel 46, lid 3.
Verzoeker heeft in 2007 in België een vluchtelingenstatus gekregen. Uit een rapport van de nationale veiligheidsdienst bleken er redelijke gronden te zijn om verzoeker te beschouwen als een bedreiging voor de nationale veiligheid, waarna zijn vluchtelingenstatus werd ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95. België kent twee afzonderlijke procedures bij verschillende autoriteiten voor het intrekken van de vluchtelingenstatus en de verblijfstitel, die verschillen in rechtsbescherming (omvang van toetsing in beroep). De Belgische rechter vraagt of de evenredigheidstoets die door het Hof wordt voorgeschreven moet plaatsvinden bij de intrekking van de vluchtelingenstatus of bij de intrekking van het verblijfsrecht. Daarnaast vraagt hij naar de overeenstemming met het Unierecht van dit stelsel.
Prejudiciële vragen: 1) Volgt de intrekking van het verblijfsrecht automatisch uit de intrekking van de vluchtelingenstatus en moet deze noodzakelijkerwijs formeel worden vastgesteld, ongeacht of er een andere verblijfstitel bestaat die losstaat van de ingetrokken vluchtelingenstatus? Is de Belgische wettelijke regeling, die enkel voorziet in een mogelijkheid om het verblijfsrecht in te trekken in geval van intrekking van de vluchtelingenstatus, in het licht van deze overwegingen in overeenstemming met het Unierecht?
2) Moet, gelet op het feit dat de intrekking van de vluchtelingenstatus en de al dan niet daarmee verband houdende intrekking van de verblijfstitel naar Belgisch recht onder twee verschillende autoriteiten vallen en het beroep in rechte tegen deze beslissingen verschillend van aard is, de evenredigheid van de maatregel tot intrekking van de vluchtelingenstatus worden beoordeeld in het stadium van de intrekking van de vluchtelingenstatus of kan die toets in het stadium van de eventuele intrekking van de verblijfstitel worden verricht?
3) Indien de evenredigheidstoets uitsluitend in het stadium van de intrekking van de verblijfstitel kan worden verricht, is het beroep waarin het Belgische recht ter zake voorziet – te weten een toetsing van de rechtmatigheid, ex tunc, eventueel getemperd door de mogelijkheid om onder bepaalde strikte voorwaarden een specifiek beroep in te stellen waarbij bepaalde latere gegevens kunnen worden aangevoerd in geval van in het licht van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens verdedigbare grieven – dan verenigbaar met het Unierecht?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-145/09; C-373/13 T.; C-391/16, C-77/17 en C-78/17 M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus); C-194/19 Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit); C-663/21 Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd); C-8/22 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd); C-402/22 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Bijzonder ernstig misdrijf); C-454/23 K.A.M.; C-283/24.
Specifiek beleidsterrein: AenM