C-763/25 H.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 26 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 12 maart 2026
Trefwoorden: kredietovereenkomst, sanctie van kosteloos krediet, totale kosten van het krediet, evenredigheid
Onderwerp: Richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: artikel 3, onder g) en i), artikel 10, lid 2, onder g), en artikel 23.
In september 2020 sloot consument-kredietnemer AZ een kredietovereenkomst met verweerster (een bank). In maart 2024 heeft de kredietnemer aangegeven dat de kredietgever verschillende bepalingen van de wet heeft geschonden, waarna hij gebruik heeft gemaakt van de sanctie ‘kosteloos krediet’. Daarna droeg de consument zijn vordering over aan verzoekster, de onderneming ‘H. Sp.’. Het is de vraag of AZ de vordering die voortvloeide uit artikel 23 van richtlijn 2008/48 mocht overdragen aan verzoekster (en deze door haar mocht laten afdwingen). De Poolse rechter stelt het Hof vragen over die kwestie, over termijnen voor het instellen van de sanctie, over de evenredigheid van de sanctie en over de omvang van de totale kosten van het krediet.
Prejudiciële vragen: Eerste vraag: Staan artikel 23 van richtlijn [2008/48] en het beginsel van doeltreffendheid ervan in de weg aan een uitlegging en toepassing van het nationale recht – artikel 509 k.c. (burgerlijk wetboek van 23 april 1964, Dz. U. nr. 16, volgnr. 93, zoals gewijzigd; hierna: „k.c.”) – volgens welke de overdracht van een vordering van de consument-kredietnemer krachtens artikel 45, lid 1, u.k.k. (wet op het consumentenkrediet van 12 mei 2011, Dz. U. nr. 126, volgnr. 715, zoals gewijzigd; hierna: „u.k.k.”), dat wil zeggen een nationaalrechtelijke sanctie die is ingevoerd op basis van artikel 23 van richtlijn [2008/48], teneinde deze vordering te doen gelden door een ondernemer, wordt geacht in strijd te zijn met de aard van de consumentenrechtelijke verhouding en bijgevolg geen uitwerking te hebben, aangezien het hierdoor voor de consument-kredietnemer uiterst moeilijk wordt om de in richtlijn [2008/48] neergelegde rechten uit te oefenen?
Tweede vraag: Staan artikel 23 van richtlijn [2008/48] en het beginsel van doeltreffendheid ervan in de weg aan een uitlegging en toepassing van het nationale recht – artikel 5 k.c. – volgens welke het de nationale rechter verboden is rechterlijke bescherming te verlenen aan een ondernemer die bij een cessie de uit de toepassing van artikel 45, lid 1, u.k.k. (sanctie op grond van artikel 23 van richtlijn [2008/48]) voortvloeiende schuldvorderingen van een consument-kredietnemer heeft verworven en die vorderingen doet gelden jegens de verwerende kredietgever, aangezien het hierdoor voor de consument-kredietnemer uiterst moeilijk wordt om de in richtlijn [2008/48] neergelegde rechten uit te oefenen?
Derde vraag: Staan artikel 23 van richtlijn [2008/48] en het beginsel van doeltreffendheid ervan in de weg aan een uitlegging en toepassing van het nationale recht – artikel 45, lid 5, u.k.k.–, volgens welke het moment van uitbetaling van het kredietbedrag geldt als het moment van uitvoering van de consumentenkredietovereenkomst, en bijgevolg het recht op de sanctie krachtens artikel 45, lid 1, u.k.k. (de enige sanctie waarin het Poolse recht voorziet in geval van schending van nationale bepalingen ter uitvoering van richtlijn [2008/48]) binnen een jaar na de uitbetaling van het krediet vervalt, aangezien het hierdoor voor de consument-kredietnemer uiterst moeilijk wordt om de in richtlijn [2008/48] neergelegde rechten uit te oefenen?
Vierde vraag: Moeten artikel 3, onder g) en i), en artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn [2008/48], in het licht van het arrest C 714/22, S.R.G. tegen Profi Credit Bulgaria, aldus worden uitgelegd dat wanneer de kredietgever de consument-kredietnemer niet alleen middelen ter beschikking stelt die hij vrij kan gebruiken, maar hem ook middelen ter beschikking stelt om niet-rentegerelateerde kosten van het krediet (bijvoorbeeld provisies) te dekken, de rente die wordt aangerekend over deze laatste middelen eveneens moet worden meegerekend in de totale kosten van het krediet en dus ook moet worden opgenomen in de berekening van het [jaarlijkse kostenpercentage (JPK)]? Zijn de aldus berekende totale kosten van het krediet en het JKP (met inbegrip van de rente op de aan de kredietnemer ter beschikking gestelde middelen ter dekking van de niet-rentegerelateerde kosten van het krediet) correct berekend?
Vijfde vraag: Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, leidt het meerekenen van de rente over het bedrag dat aan de kredietnemer ter beschikking is gesteld om niet-rentegerelateerde kosten van het krediet te dekken dan tot een overschatting van de totale kredietkosten en bijgevolg tot een overschatting van het aan de consument voorgelegde JKP? Brengt een dergelijke onjuiste – te hoge [–] berekening van de totale kosten van het krediet en het JKP en de presentatie van deze onjuist – te hoog [–] berekende waarden schade toe aan de consument? Rechtvaardigt de onjuiste berekening en de presentatie van te hoge waarden van de totale kredietkosten en het JKP dat de sanctie krachtens artikel 45, lid 1, u.k.k. wordt toegepast? Is de sanctie waarin artikel 45, lid 1, u.k.k. voorziet (sanctie in de vorm van gratis krediet – terugbetaling door de consument-kredietnemer aan de kredietgever van alleen de hoofdsom van het krediet zonder rente of kosten) in een dergelijk geval verenigbaar met artikel 23 van richtlijn [2008/48], en met name met het vereiste van evenredigheid van de sanctie?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-377/14; C-714/22 Profi Credit Bulgaria (Aanvullende diensten bij een kredietovereenkomst); C-485/19 Profi Credit Slovakia.
Specifiek beleidsterrein: JenV