C-775/25 Monaiz
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 12 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 29 maart 2026
Trefwoorden: hypothecaire leningsovereenkomst, executierecht, oneerlijke bedingen, doeltreffendheidsbeginsel Onderwerp: Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: Artikelen 3, 6, en 7.
In 2005 hebben VQ en LT een hypothecaire leningsovereenkomst met Caja de Ahorros del Mediterráneo afgesloten, die mogelijk oneerlijke bedingen inzake de vertragingsrente en commissie bij wanbetaling bevatten. VQ en LT kwamen herhaaldelijk hun betalingsverplichtingen niet na, waardoor Banco Sabadell (de rechtsopvolger van Caja de Ahorros del Mediterráneo) in 2021 de schuld vervroegd opeisbaar heeft verklaard en een hypothecaire executieprocedure heeft ingeleid. Bij beschikking van 18 januari 2024 werden de bedingen inzake vertragingsrente en commissie voor wanbetaling nietig verklaard, waardoor de vordering van de bank werd verminderd. Een executoriale titel werd afgegeven voor het restant van de schuld. VQ stelde vervolgens verzet in tegen de executie en betwistte daarnaast het openingskostenbeding en het kostenbeding bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of een nationale regeling die de toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen in verzet tegen executie beperkt tot alleen bedingen die zijn toegepast bij de berekening van de gevorderde schuld verenigbaar is met het Unierecht.
Prejudiciële vraag: 1. Moeten de artikelen 3, 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als artikel 695, lid 1, punt 4, LEC, zoals uitgelegd door de Audiencias Provinciales (provinciale gerechtshoven, Spanje), die eraan in de weg staat dat een beoordeling plaatsvindt van het oneerlijke karakter van bedingen die door de schuldeiser niet zijn toegepast bij het berekenen van de gevorderde schuld, maar wel op een eerder moment, en dat er voor bedragen die onverschuldigd zijn geïnd compensatie kan worden verkregen?
2. Voor het geval dat het oneerlijke karakter van die bedingen kan worden getoetst, moeten de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG en het doeltreffendheidsbeginsel dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regel als artikel 695, lid 2, LEC, die de consument de mogelijkheid ontzegt om documenten aan te dragen nadat hij zijn verzetschrift tegen de executie heeft ingediend, er niet in voorziet dat de rechter in dit verband ambtshalve bewijs kan verkrijgen en eraan in de weg staat dat de betreffende bedragen worden bepaald op een moment na de beslissing die een einde maakt aan het verzet tegen de executie?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-66/25 Banco Santander; C-415/11; C-537/12 en C-116/13 Banco Popular Español; C-565/21 Caixabank; C-224/19 Caixabank; C-421/14 Banco Primus; C-154/15, C-307/15 en C-308/15 ; C-618/10 Banco Español de Crédito.
Specifiek beleidsterrein: EZ; JenV