C-78/22 ALD Automotive

Contentverzamelaar

C-78/22 ALD Automotive

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    20 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    6 juni 2022

Trefwoorden : faillissement; vorderingen; handelstransactie;

Onderwerp :

•          Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties;

Feiten:

Verzoekster heeft met de schuldenares vijf overeenkomsten inzake de huur van roerende goederen gesloten in het kader waarvan ook verzoeksters algemene operationele leasevoorwaarden (OAL) van toepassing zijn. Overeenkomstig artikel 4.1.4 AOL moest verzoekster schuldenares afzonderlijke facturen uitreiken, terwijl schuldenares overeenkomstig artikel 4.1.1 AOL alle verschuldigde termijnen ten belope van het overeengekomen bedrag tijdig moest betalen. Verzoekster heeft schuldenares verschillende facturen doen toekomen, maar zij heeft die niet betaald. Schuldenares is failliet verklaard door de faillissementsrechter. Verzoekster heeft daarna een schuldvordering ingediend t.a.v. de niet betaalde facturen. Ter terechtzitting heeft verweerder de vordering in twijfel getrokken. Verzoekster heeft daarop tijdig een repliek bij de faillissementsrechtbank ingediend en verzocht om erkenning van haar door verweerder betwiste vordering. Zij heeft dit aldus gemotiveerd dat het nationale recht bepaalt dat een vordering tot vergoeding van kosten kan worden ingediend zodra de betrokken schuldenaar betalingsachterstand heeft, hetgeen zij heeft gestaafd onder verwijzing naar richtlijn 2011/7/EU. De faillissementsrechter heeft geoordeeld dat verzoekster vorderingen had uit hoofde van vijf overeenkomsten, en zij dus recht had op een vergoeding ten belope van vijf keer 1 200,00 CZK oftewel 6 000,00 CZK voor de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de invordering van elk van de betreffende vorderingen: verzoeksters vordering moest voor het overige evenwel worden afgewezen. Verzoekster heeft daarna beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en wijst er onder andere op dat zij inderdaad vijf overeenkomsten met schuldenares had, maar haar vordering ziet op veel meer facturen (in totaal: 25). Zij zou dus recht hebben op veel meer vergoeding.

Overweging:

De verwijzende rechter moet beoordelen hoe het begrip „handelstransactie” in de zin van de richtlijn moet worden uitgelegd in het geval van overeenkomsten inzake terugkerende of voortdurende prestaties die door de schuldeiser doorlopend aan de schuldenaar worden gefactureerd. Er zijn verschillende uitleggingsmogelijkheden denkbaar, zoals: elke afzonderlijke overeengekomen betaling, de som van de contractueel vastgestelde vorderingen, de som van alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst, etc. Voorts zij opgemerkt dat het ontstaan van een vordering tot betaling van een vast bedrag van 40 EUR is gekoppeld aan het tijdstip waarop in het kader van een handelstransactie een vordering tot betaling van interest voor betalingsachterstand ontstaat (artikel 6, lid 1, van de richtlijn), terwijl de Tsjechische bepalingen betreffende de vordering tot het betalen van een vast bedrag van 1 200,00 CZK het tijdstip waarop de vordering ontstaat niet uitdrukkelijk regelen. In het licht van het voorgaande is de verwijzende rechter van oordeel dat niet duidelijk is of het doel van de richtlijn wordt bereikt indien een enkele forfaitaire vergoeding meerdere te late betalingen in het kader van een enkele overeenkomst dekt dan wel of het doel van de richtlijn daarentegen wordt bereikt indien voor elke te late deelbetaling een volledige vergoeding wordt gehanteerd, zelfs indien de betalingsachterstanden slechts geringe bedragen betreffen (met name indien deze lager of zelfs aanzienlijk lager zijn dan de forfaitaire vergoeding).

Prejudiciële vragen:

1) Aan welke criteria moet worden voldaan om aanspraak te kunnen maken op ten minste het vaste bedrag van 40 EUR als bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties in het geval van overeenkomsten inzake een terugkerende of voortdurende prestatie?

2) Kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaten onder verwijzing naar de algemene beginselen van privaatrecht weigeren om een vordering als bedoeld in artikel 6, lid 1, van voornoemde richtlijn toe te wijzen ?

3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: onder welke voorwaarden kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaten weigeren om het bedrag van de in artikel 6, lid 1, van voornoemde richtlijn bedoelde vordering toe te kennen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: BFF Finance Iberia S.A.U (C-585/20);

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN; FIN-fisc; JenV