C-795/25 OTP banka

Contentverzamelaar

C-795/25 OTP banka

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     13 april 2026

Trefwoorden: consumentenovereenkomsten, oneerlijke bedingen, goede trouw, wisselkoersrisico

Onderwerp: Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: artikel 3, lid 1.

Verzoeker heeft in 2008 twee kredietovereenkomsten gesloten met een Sloveense bank (verweerder). De overeenkomsten bevatten beide wisselkoersbedingen, waarbij de volledige wisselkoers- en renterisico bij de consument lag. Verzoeker wil de overeenkomsten daarom nietig verklaren. De Sloveense rechter vraagt het Hof of het feit dat een beding het wisselkoersrisico volledig bij de consument legt, genoeg is om de gehele kredietovereenkomst nietig te verklaren, of dat er ook een daadwerkelijke verwezenlijking van het risico moet hebben plaatsgevonden. Daarnaast vraagt de rechter naar het criterium van ‘goede trouw’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, die in het nationale recht is omgezet als ‘beginsel van correctheid en eerlijkheid’. 

Prejudiciële vragen: 
1. Moeten artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten] en de uitlegging van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de beoordelingscriteria voor het vereiste van een ,aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ in een contractueel beding dat het wisselkoers- en renterisico volledig en zonder beperking op de consument afwentelt, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke een dergelijk beding niet oneerlijk wordt verklaard indien dit risico zich niet in die zin heeft verwezenlijkt dat de consument de bank een totaalbedrag moet terugbetalen dat hoger is dan het bedrag dat hij bij het sluiten van de overeenkomst, op grond van de gegevens die hem op dat moment bekend waren, had kunnen verwachten en berekenen? 

2. Moeten artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten] en het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-405/21 aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een contractueel beding dat het wisselkoers- en renterisico volledig en zonder beperking op de consument afwentelt, uitsluitend op basis van de door het Hof Justitie van de Europese Unie geformuleerde criteria ter invulling van het vereiste van ,goede trouw’ als oneerlijk wordt aangemerkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-405/21 NOVA KREDITNA BANKA MARIBOR; C-621/17 Kiss; C-229/19 en C-289/19 Dexia Nederland; C-321/22 Provident Polska; C-421/14 Banco Primus. 

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten