C-799/25 Hochtief Europe Magyarorszagi Fioktelepe

Contentverzamelaar

C-799/25 Hochtief Europe Magyarorszagi Fioktelepe

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     10 april 2026

Trefwoorden: herziening kracht van gewijsde, gelijkwaardigheidsbeginsel, doeltreffendheid, procedurele autonomie lidstaten
Onderwerp: VEU: artikel 4, lid 3, artikel 5, leden 1 en 2; VWEU: artikel 267.

Verzoekster vordert schadevergoeding van een rechterlijke instantie, omdat de instantie haar verzoek tot herziening had afgewezen. Volgens verzoeker heeft de rechterlijke instantie hiermee in strijd met het Unierecht gehandeld. Volgens de hoogste Hongaarse rechter kunnen arresten van het Hof geen grond zijn voor een herziening van nationale rechterlijke beslissingen met kracht van gewijsde, terwijl dit wel mogelijk is op basis van beslissingen van Hongaarse rechters. De Hongaarse rechter vraagt of deze visie in strijd is met de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

Prejudiciële vragen: 
1) Moeten de beslissingen van het Hof in de zaken C-620/17 en C-362/18 aldus worden uitgelegd dat wanneer krachtens de regelgeving van een lidstaat een verzoek tot herziening kan worden ingediend tegen een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing op basis van een nieuwe beslissing van een nationale rechterlijke instantie of van de Alkotmánybíróság (grondwettelijk hof, Hongarije), ook een verzoek tot herziening die kracht van gewijsde opheft moet kunnen worden ingediend overeenkomstig de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en loyale samenwerking teneinde de overeenstemming met het Unierecht, zoals uitgelegd in een arrest van het Hof, te waarborgen? 

2) Wanneer op basis van het antwoord op de eerste vraag een verzoek tot herziening die kracht van gewijsde opheft moet kunnen worden ingediend, ook teneinde de overeenstemming met het Unierecht – zoals uitgelegd in een arrest van het Hof – te waarborgen, zijn dan de procedureregels van nationaal recht inzake de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening van toepassing? 

3) Kan de bevoegdheid van de in laatste aanleg optredende nationale rechterlijke instantie die de uniforme toepassing van het nationale recht waarborgt, zich overeenkomstig artikel 267 VWEU uitstrekken tot een restrictieve of extensieve uitlegging van een arrest van het Hof houdende uitlegging van het Unierecht, of tot een uitlegging die, in afwijking van een eerdere uitlegging, dat arrest zijn doeltreffendheid ontneemt, op basis van de bepalingen van het nationale recht? 

4) Staat het Unierecht overeenkomstig artikel 267 VWEU in de weg aan een nationale bepaling – en kan deze derhalve buiten toepassing worden gelaten – indien de rechter op grond van die bepaling gebonden is aan een door de in de laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie van de betreffende lidstaat gegeven beslissing ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht, ook al is hij van oordeel dat de materiële vaststellingen in die beslissing, in het licht van de uitlegging van het Hof, de doeltreffendheid van het Unierecht en de bescherming van de aan de justitiabelen verleende rechten niet waarborgen? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-620/17 Hochtief Solutions Magyarországi Fióktelepe; C-362/18 Hochtief; C 224/01; C-92/11 RWE Vertrieb.

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten