C-805/25 Steiermärkische Landesregierung

Contentverzamelaar

C-805/25 Steiermärkische Landesregierung

Prejudiciële hofzaak   

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     9 april 2026

Trefwoorden: milieubescherming, staat van instandhouding, verbod op storing

Onderwerp: Richtlijn 2009/147 (Vogelrichtlijn): artikel 9; richtlijn 92/43 (Habitatrichtlijn): artikel 16. 

Verzoeker had een ontheffing aangevraagd op grond van natuurbeschermingswetgeving, om twee gaskanoninstallaties te kunnen exploiteren die bedoeld zijn om aalscholvers door middel van geluid af te schrikken in de buurt van zijn viskwekerijvijvers. De ontheffing werd afgewezen omdat de exploitatie zou leiden tot een wezenlijke storing van een broedpaar zeearenden in de directe omgeving. De Vogelrichtlijn verbiedt immers het opzettelijk storen van in het wild levende vogels. De Oostenrijkse rechter vraagt zich af of hoe deze regels zich verhouden tot de rol van de staat van instandhouding van vogelsoorten en de mogelijkheden tot afwijking van het verbod op ‘wezenlijke storing’ in de zin van art. 5 onder d). 

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat het toekennen van een afwijking van het in artikel 5, onder d), van de richtlijn neergelegde verbod op storing afhangt van de staat van instandhouding van de betrokken soort?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijzen de vragen 1. a.) tot en met 1. c.): 
1.a.) Moeten artikel 5, onder d), en artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat de staat van instandhouding in het kader van de toetsing van de toepassingsvoorwaarden van het verbod op storing [artikel 5, onder d)] en van de toetsing van de afwijkingen [artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje] volgens dezelfde maatstaven moet worden beoordeeld, of zijn de vereisten op afwijkingsniveau zelfstandig, met name strenger dan wel milder? In het geval van een ongunstige staat van instandhouding, in hoeverre moet bij de beoordeling of er sprake is van een wezenlijke storing in de zin van artikel 5, onder d), en bij de beoordeling van de staat van instandhouding in het kader van een afwijking op grond van artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, rekening worden gehouden met een positieve ontwikkeling van de populatie van de betrokken soort in de afgelopen jaren?
1.b.) Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat een afwijking van het in artikel 5, onder d), van de vogelrichtlijn neergelegde verbod op storing ook is toegestaan wanneer de betrokken vogelsoort zich in een ongunstige staat van instandhouding bevindt, mits wordt aangetoond dat de gevraagde maatregel deze toestand niet verder verslechtert of het herstel van een gunstige staat van instandhouding niet belemmert, bijvoorbeeld omdat de populaties van de betrokken soort zich in de voorgaande jaren zeer positief hebben ontwikkeld? 
1.c.) Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) in het licht van de rechtspraak inzake artikel 16, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG (habitatrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat een gunstige staat van instandhouding een noodzakelijke voorwaarde is voor het toekennen van een afwijking van het in artikel 5, onder d), van de richtlijn neergelegde verbod op storing, en dat een afwijking slechts is toegestaan indien deze op zijn minst geen belemmering vormt voor het herstel van een gunstige staat van instandhouding, of kan een afwijking ook worden toegekend wanneer de maatregel ondanks een ongunstige staat van instandhouding nadelige gevolgen heeft voor de betrokken soort, maar de noodzaak van de maatregel in redelijke verhouding staat tot de aantasting van de bescherming van soorten? 

2. Moeten artikel 5, onder d), en artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat – voor zover aan de voorwaarden voor toepassing van het verbod op storing is voldaan – bij de beoordeling van de afwijkingen niet opnieuw rekening hoeft te worden gehouden met de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoort? 
2.a.) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Is de toetsing van de afwijking op grond van artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) in dat geval beperkt tot het ontbreken van andere bevredigende oplossingen en tot het bestaan van belangrijke schade, of is het bovendien noodzakelijk de evenredigheid te onderzoeken, op grond waarvan het nagestreefde doel in een redelijke verhouding moet staat tot de aantasting van de bescherming van soorten? 
2.b.) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG aldus worden uitgelegd dat een afwijking van het in artikel 5, onder d), neergelegde verbod op storing in het algemeen is uitgesloten, omdat reeds bij de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van het verbod op storing moet worden uitgegaan van de staat van instandhouding en de voorwaarden voor het verbod op storing slechts zijn vervuld indien de maatregel tot gevolg heeft dat de populatie van de betrokken vogelsoort niet op een bevredigend niveau blijft of het herstel ervan in gevaar wordt gebracht? 

3. Moet artikel 5, onder d) en/of artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoort – bij de toetsing van het verbod op storing en/of bij de beoordeling van een afwijking – moet worden onderzocht aan de hand van hetzelfde geografische referentiepunt als dat van artikel 16, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG (habitatrichtlijn), zodat eerst het lokale niveau, dan het nationale niveau en vervolgens pas de gehele biogeografische regio bepalend is, of moet voor de vogelrichtlijn een ander geografisch referentiepunt worden gekozen? 
3.a. In hoeverre moet hierbij rekening worden gehouden met het feit dat er momenteel geen uitgebreide studie bestaat voor de vaststelling van een concreet aantal voor een gunstige staat van instandhouding van de betrokken vogelsoort in de lidstaat? 

4. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat een afwijking van het in artikel 5, onder d), neergelegde verbod op storing alleen is toegestaan indien de aangevoerde belangrijke schade wordt veroorzaakt door de vogelsoort die door de gevraagde maatregel aanzienlijk wordt gestoord in de zin van artikel 5, onder d), van de vogelrichtlijn, ook wanneer de gevraagde maatregel uitdrukkelijk betrekking heeft op het afschrikken van de vogelsoort die de schade heeft veroorzaakt, door middel van geluid, en de storing van de andere vogelsoort in de zin van artikel 5, onder d), van de vogelrichtlijn slechts wordt aanvaard? 

5. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat de omvang van de gestelde schade moet worden beoordeeld aan de hand van de economische gevolgen voor elk betrokken bedrijf of vereist het begrip „belangrijke schade” een beoordeling die verder gaat dan het concrete niveau van de onderneming? 

6. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat er ook sprake kan zijn van belangrijke schade aan visserij en wateren wanneer de betrokken exploitant geen concrete gegevens over de reeds geleden verliezen kan overleggen en de waarschijnlijkheid van schade in plaats daarvan berust op gegevens die zijn ontleend aan bij overheidsinstanties bekende informatie betreffende ervaringen met de aalscholverpredatie in het betrokken gebied en op door de aanvrager verstrekte informatie? 

7. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat het ontbreken van een andere bevredigende oplossing, mits aan alle andere in die bepaling gestelde voorwaarden voor afwijking is voldaan, kan worden gerechtvaardigd door enkel een aannemelijkheidsbeoordeling op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie en van algemene praktische overwegingen?

8. Moet artikel 9, lid 1, onder a), derde streepje, van richtlijn 2009/147/EG (vogelrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat het verwijderen van de vogelsoort die de schade heeft veroorzaakt, kan worden beschouwd als een „andere bevredigende oplossing” in de zin van deze bepaling, wanneer (1) de gevraagde afschrikking door geluid andere vogelsoorten zou storen die geen schade in de zin van artikel 5, onder d), veroorzaken, (2) aan de voorwaarden voor een verwijdering op grond van artikel 9, lid 1, onder a), is voldaan en (3) een verwijdering de storing van andere beschermde soorten tot een minimum zou kunnen beperken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-784/23; C-473/19 en C-474/19 Föreningen Skydda Skogen; C-76/08 Commissie/Malta; C-217/19 Commissie/Finland; C-674/17 Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola; C-601/22 WWF Österreich e.a.

Specifiek beleidsterrein: LVVN

Gerelateerde documenten