C-819/25 PPU Gonrieh

Contentverzamelaar

C-819/25 PPU Gonrieh

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage (in het Frans) voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:   -
Mondelinge behandeling                     11 februari 2026

Trefwoorden: recht op gezinshereniging, gelijkheidsbeginsel
Onderwerp: Richtlijn 2003/86 inzake het recht op gezinshereniging; Handvest: artikelen 7, 24 en 51. 

X en Y zijn getrouwd met elkaar en woonden in de Gazastrook met hun vijf kinderen. Y kon in 2024 rechtmatig in België verblijven voor onderzoek, en heeft om die reden Gaza met zijn zoon verlaten. Na die tijd werd de grensovergang gesloten, waardoor X en de andere vier kinderen zich niet konden voegen bij Y. Zij hebben een verzoek tot gezinshereniging ingediend bij het Vreemdelingenbureau. Het verzoek werd onder opschortende voorwaarden afgewezen. In dat kader vraagt de Belgische rechter het Hof welke positieve verplichtingen er voor lidstaten voortvloeien uit richtlijn 2003/86.

Prejudiciële vragen: 
1.    Moet Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, afzonderlijk of gelezen in samenhang met de artikelen 7, 24 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten positieve verplichtingen oplegt om de gezinsleden van de gezinshereniger toe te staan het grondgebied te verlaten, ook al konden de betrokkenen overeenkomstig het arrest Afrin de Your Court (C-1/23) op afstand een aanvraag voor een visum voor gezinshereniging indienen en is er een (gunstig) besluit genomen om die visa te verlenen, waardoor zij het grondgebied van de lidstaat konden binnenkomen?

2.    Moet Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, en in het bijzonder artikel 13, lid 1, daarvan, op grond waarvan de staat die een verzoek om gezinshereniging heeft aanvaard, “deze personen alle faciliteiten [verleent] om de vereiste visa te verkrijgen”, alleen of gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de staten verplicht zijn consulaire bijstand te verlenen aan de gezinsleden van de gezinshereniger (door middel van rechtstreekse contacten tussen staten ten behoeve van een persoon of zelfs door te voorzien in repatriëring van het grondgebied van een derde staat naar het nationale grondgebied)?

3.    Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, schendt Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, en in het bijzonder artikel 13, lid 1, daarvan, op grond waarvan de staat die een verzoek om gezinshereniging heeft ingewilligd, “deze personen alle faciliteiten [verleent] om de vereiste visa te verkrijgen”, aldus uitgelegd dat een staat verplicht is consulaire bijstand te verlenen ten behoeve van de gezinsleden van de gezinshereniger, de artikelen 20, 21 en 46 van het Handvest van de grondrechten, voor zover zij personen die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, de mogelijkheid bieden consulaire bijstand te eisen, ook al wordt aan burgers die de nationaliteit van een lidstaat bezitten geen recht op consulaire bijstand verleend op grond van artikel 46 van het Handvest van de grondrechten, hetgeen leidt tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling op grond van nationaliteit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-1/23 Afrin de Your.

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZ