C-821/21 Club La Costa e.a.

Contentverzamelaar

C-821/21 Club La Costa e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    8 mei 2022

Trefwoorden : Brussel I-verordening, consumentenovereenkomsten, toepasselijk recht

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)

-           Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)

-           Overeenkomst betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Feiten:

De heer NM heeft de Britse nationaliteit en woont in het Verenigd Koninkrijk (VK). Op 06-10-2018 heeft hij in Spanje een overeenkomst gesloten voor het gebruik in deeltijd van toeristische onroerende goederen. De echtgenote van NM, eveneens van Britse nationaliteit en woonachtig in het VK, is ook partij bij de overeenkomst, net als de entiteit Club La Costa (UK) PLC, een Britse vennootschap met een zetel in het VK  die haar commerciële activiteiten richt op Spanje en andere landen. NM heeft bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep ingesteld tot nietigverklaring van de gesloten overeenkomst en tot terugbetaling van de betaalde bedragen. Het beroep is gericht tegen de wederpartij bij de overeenkomst, Club La Costa (UK) PLC, en tegen vier andere vennootschappen. In het hoofdgeding moet de omstreden kwestie worden opgelost of de Spaanse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Ook moet worden vastgesteld welk recht van toepassing is, aangezien de partij die zich erop beroept dat buitenlands recht van toepassing is, volgens het Spaanse procesrecht het bestaan en de inhoud van dat recht moet bewijzen.

Overweging:

In het onderhavige geding wordt erkend dat de betrokken overeenkomst behoort tot de categorie van consumentenovereenkomsten in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van de Brussel I-verordening, waarop de in artikel 18, lid 1, neergelegde regel inzake forumkeuze van toepassing is. Op dit punt moet erop worden gewezen dat het geschil betreffende de uitlegging voortvloeit uit de vraag naar de vaststelling van de woonplaats van de wederpartij bij de overeenkomst. Volgens de Spaanse rechtspraak biedt artikel 18, lid 1, van de Brussel I-verordening de consument niet de mogelijkheid om een territoriaal forum te kiezen dat aan zijn behoeften beantwoordt. Het gaat steeds om de woonplaats van de wederpartij bij de overeenkomst en niet om die van een buiten de overeenkomst staande persoon, en die woonplaats wordt bepaald door artikel 63 van de Brussel I-verordening, met daarin een specifieke bepaling voor het VK. Een totaal verschillende uitlegging gaat voorbij aan de figuur van de wederpartij bij de overeenkomst en de woonplaats van laatstgenoemde, zoals omschreven in artikel 63 van de Brussel I-verordening. Bij deze benadering wordt ervan uitgegaan dat deze bepaling een vermoeden van feitelijke aard vestigt, zodat de wederpartij bij de overeenkomst moet bewijzen dat haar zetel overeenkomt met haar centrum van werkzaamheid. Volgens de verwijzende rechter gaat deze uitlegging verder dan de mogelijkheid voor de consument om zijn eigen forum te kiezen in plaats van de woonplaats van de verweerder, in die zin dat de consument de woonplaats van de verwerende partij buiten het rechtsbegrip om kan bepalen, wat tot een soort forumshopping leidt. Indien het antwoord van het Hof op de vragen zou luiden dat de Spaanse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van de onderhavige zaak, moet nog worden bepaald volgens welke maatstaf de geldigheid of nietigheid van de overeenkomst moet worden beoordeeld. Het is onomstreden dat artikel 6 van de Rome I-verordening van toepassing is op de in deze procedure aan de orde zijnde overeenkomst, hetgeen lijkt te leiden tot de conclusie dat in casu het recht van het VK van toepassing is. Volgens een afwijkende uitlegging van de rechtspraak in geschillen betreffende identieke overeenkomsten als die welke in het onderhavige geding aan de orde is, is het Engelse recht niet van toepassing. Het verschil in uitlegging rechtvaardigt de noodzaak om verduidelijking te verkrijgen van de betekenis van de toepasselijke bepalingen van zowel de Brussel I-verordening als de Rome I-verordening, zoals in de prejudiciële vragen uiteengezet.

Prejudiciële vragen:

1. Is het, in het geval van consumentenovereenkomsten waarop artikel 18, lid 1, van de Brussel I-verordening van toepassing is, verenigbaar met deze verordening om de in deze bepaling gebruikte uitdrukking ,,de wederpartij bij de overeenkomst” aldus uit te leggen dat zij alleen betrekking heeft op de persoon die de overeenkomst heeft ondertekend, en dus geen andere natuurlijke of rechtspersonen kan omvatten dan die welke de overeenkomst daadwerkelijk hebben ondertekend?

2. Indien de uitdrukking ,,de wederpartij bij de overeenkomst” aldus wordt uitgelegd dat die alleen ziet op de persoon die de overeenkomst daadwerkelijk heeft ondertekend, kan in gevallen waarin zowel de consument als ,,de wederpartij bij de overeenkomst” hun woonplaats buiten Spanje hebben, dan in overeenstemming met artikel 18, lid 1, van de Brussel I-verordening worden aangenomen dat de internationale bevoegdheid van de Spaanse rechterlijke instanties niet kan worden bepaald door de omstandigheid dat het concern waartoe ,,de wederpartij bij de overeenkomst” behoort, in Spanje gevestigde vennootschappen omvat die niet betrokken zijn geweest bij de ondertekening van de overeenkomst, of die andere overeenkomsten hebben ondertekend dan die waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd?

3. Wanneer ,,de wederpartij bij de overeenkomst” in de zin van artikel 18, lid 1, van de Brussel I-verordening aantoont dat zij haar woonplaats, als bedoeld in artikel 63, lid 2, van de verordening, in het Verenigd Koninkrijk heeft, kan dan in overeenstemming met deze bepaling worden aangenomen dat de aldus vastgestelde woonplaats het keuzerecht beperkt dat overeenkomstig artikel 18, lid 1, kan worden uitgeoefend? Kan die bepaling voorts aldus worden uitgelegd dat zij niet louter een ,,vermoeden van feitelijke aard” vestigt, en dat dit vermoeden niet teniet wordt gedaan indien ,,de wederpartij bij de overeenkomst” activiteiten uitoefent buiten het rechtsgebied van haar woonplaats, en dat het evenmin aan ,,de wederpartij bij de overeenkomst” staat om te bewijzen dat haar woonplaats, zoals vastgesteld overeenkomstig die bepaling, overeenstemt met de plaats waar zij haar activiteiten verricht?

Onder verwijzing naar verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008:

4. Is het verenigbaar met artikel 3 van de Rome I-verordening om in het geval van consumentenovereenkomsten waarop deze verordening van toepassing is, bedingen tot vaststelling van het toepasselijke recht die zijn opgenomen in de door partijen ondertekende ,,algemene voorwaarden” van de overeenkomst of in een afzonderlijk document waarnaar de overeenkomst uitdrukkelijk verwijst en dat aantoonbaar aan de consument is overhandigd, als geldig en toepasbaar aan te merken?

5. Is het in het geval van consumentenovereenkomsten waarop de Rome I-verordening van toepassing is, in overeenstemming met artikel 6, lid 1, van deze verordening te besluiten dat zowel de consument als de wederpartij bij de overeenkomst zich op deze bepaling kunnen beroepen?

6. Is het in het geval van consumentenovereenkomsten waarop de Rome I-verordening van toepassing is, verenigbaar met artikel 6, lid 1, van deze verordening te besluiten dat, indien aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, het daarin bedoelde recht in elk geval voorrang heeft boven het in artikel 6, lid 3, bedoelde recht, ook al is dit laatste in het concrete geval gunstiger voor de consument?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: BZ, JenV, EZK