C-828/25 Szuzyk 

Contentverzamelaar

C-828/25 Szuzyk 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     9 april 2026

Trefwoorden: kredietovereenkomst, consumentenbescherming, rente, doeltreffendheid, evenredigheid, afschrikwekkende functie sancties

Onderwerp: Richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: artikel 10, lid 2, onder f) en artikel 23; Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen: artikelen 3, 4 en 5; VEU: artikel 2; VWEU: artikel 169, lid 1; Handvest: artikel 38.

Verzoeker en verweerster hebben in 2021 een kredietovereenkomst gesloten. Verzoekende partij heeft nu een beroep gedaan op de sanctie van de ‘kosteloze kredietverstrekking’, waarbij haar verbintenissen tot betaling van de rente en niet-rentekosten van het krediet tenietgaan. De Poolse rechter vraagt het Hof om uitlegging van het Unierecht met betrekking tot kwesties betreffende de termijn voor het instellen van vorderingen door kredietnemers, de reikwijdte van het begrip uitgekeerd kredietbedrag, de bedragen waarover rente in rekening mag worden gebracht, de omvang van de in overeenkomsten vermelde informatie over de rentepercentages en het begrip kredietbedrag.

Prejudiciële vragen: 
I.    Verzetten de beginselen van consumentenbescherming, doeltreffendheid en evenredigheid alsmede het in artikel 23 van richtlijn 2008/48/EG uitgedrukte beginsel van de afschrikkende werking zich ertegen dat het nationaal recht, met het oog op het instellen door de consument van vorderingen wegens niet-nakoming van de verplichtingen van de kredietgever uit hoofde van die richtlijn, in een objectieve termijn voorziet voor het instellen van dergelijke vorderingen die ingaat op „de datum van uitvoering van de overeenkomst” – opgevat als de datum waarop het kredietbedrag aan de consument is uitgekeerd – en eindigt na verloop van een jaar vanaf die datum? 

II.    II. Verzet artikel 10, lid 2, onder f), gelezen in samenhang met artikel 3, onder j) en l), gelezen in samenhang met bijlage I bij richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (hierna: „richtlijn 2008/48”) zich tegen een uitlegging dat het begrip uitgekeerd kredietbedrag, dat de basis voor de berekening van de rente vormt, niet alleen betrekking heeft op het bedrag dat daadwerkelijk aan de consument voor zijn vrij gebruik wordt verstrekt, maar ook op het bedrag dat door de bank bij aanvang van het krediet op het kredietbedrag als commissieloon wordt ingehouden ter dekking van de niet-rentekosten van het krediet? 

III.    III. Moet artikel 10, lid 2, onder f), gelezen in samenhang met art. 3, onder j) en l), van richtlijn 2008/48 in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en het doel van deze richtlijn alsmede in het licht van artikel 3, leden 1 en 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietgever) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld, bedingen op te nemen die erin voorzien dat rente in rekening wordt gebracht niet alleen over het bedrag dat aan de consument wordt uitgekeerd, maar ook over de niet-rentekosten van het krediet (dat wil zeggen het commissieloon en andere vergoedingen) die geen deel van het daadwerkelijk aan de consument uitgekeerde kredietbedrag uitmaken maar wel onderdeel zijn van het totale bedrag dat de consument uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst verschuldigd is? 

IV.    IV. Moet artikel 10, lid 2, onder f) en g), van richtlijn 2008/48 in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en het doel van deze richtlijn alsmede in het licht van artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietgever) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld, bedingen op te nemen waarin uitsluitend het rentepercentage van het krediet en de (in cijfers uitgedrukte) totale gekapitaliseerde rente die door de consument verschuldigd is uit hoofde van zijn verbintenis uit de overeenkomst worden vermeld, zonder dat de consument er tegelijkertijd uitdrukkelijk van in kennis wordt gesteld dat de grondslag voor de berekening van die (in cijfers uitgedrukte) gekapitaliseerde rente een ander bedrag is dan het daadwerkelijk aan de consument uitgekeerde bedrag, namelijk de som van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag en de nietrentekosten van het krediet (dat wil zeggen het commissieloon en andere vergoedingen die geen deel van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag uitmaken maar wel onderdeel zijn van het totale bedrag dat de consument uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst verschuldigd is)? 

V.    V. Moet artikel 3, onder h), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat het totale te betalen bedrag dient te worden berekend als de som van het kredietbedrag en de totale kredietkosten, indien in de kredietovereenkomst het begrip kredietbedrag, dat niet in richtlijn 2008/48 voorkomt, wordt gehanteerd, waaronder de hoofdsom van het krediet wordt verstaan – waarvan de uitbetaling aan de consument in de overeenkomst formeel is toegezegd en die door de consument tezamen met de rente dient te worden terugbetaald – bestaande uit de som van het totale kredietbedrag en de meegefinancierde kosten van het krediet in de vorm van een commissieloon dat op het moment van uitbetaling van het krediet door de kredietgever op dat kredietbedrag (de hoofdsom) wordt ingehouden? 

VI.    VI. Welke bedragen worden als „het bedrag van een aflossing of betaling” (DI) in aanmerking genomen bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (hierna: „JKP”) overeenkomstig de in bijlage I bij richtlijn 2008/48 vermelde formule, indien in de kredietovereenkomst het begrip kredietbedrag wordt gehanteerd, dat niet in die richtlijn voorkomt, waaronder de som wordt verstaan van het totale kredietbedrag en de meegefinancierde kosten van het krediet (het meegefinancierde commissieloon), indien de kredietovereenkomst inhoudt dat het commissieloon door de kredietgever wordt meegefinancierd (dat wil zeggen in de overeenkomst wordt formeel toegezegd dat het kredietbedrag aan de consument wordt uitbetaald, maar het bedrag van het commissieloon wordt bij uitbetaling van het krediet ingehouden op dat kredietbedrag, zijnde de door de consument terug te betalen hoofdsom waarover rente in rekening wordt gebracht)? Moet het DI-bedrag bij de berekening van het JKP overeenkomstig de in bijlage I bij richtlijn 2008/48 vermelde formule in dit geval de volgende componenten inhouden: het commissieloon, de termijnbedragen voor de aflossing van de hoofdsom en de rente over de hoofdsom? Verzetten de bewoordingen van punt I van bijlage I bij richtlijn 2008/48 zich tegen een uitlegging van punt 1 van bijlage 4 bij de Poolse wet op het consumentenkrediet die het mogelijk maakt om het DI-bedrag anders te berekenen dan als de som van de geactualiseerde waarden van de aflossingen en kosten, ongeacht de wijze van financiering van de kosten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-377/14; C-331/18; C-212/20 A.S.A.

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZ

Gerelateerde documenten