C-833/21 Endesa Generacion 

Contentverzamelaar

C-833/21 Endesa Generacion 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    8 april 2022

Trefwoorden : energie, belastingen, elektriciteit, steenkool

Onderwerp :

Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit.

Feiten:

Verzoekster is een onderneming die zich bezighoudt met de opwekking van elektriciteit door middel van het gebruik van steenkool. Verzoekster verwerft de kolen via een verbonden vennootschap die de voor wederverkoop bestemde partijen steenkool vrijstelt van kolenbelasting, aangezien het belastbare feit het verbruik is. Na een controle was de belastingdienst van mening dat het belastbare feit zich had voorgedaan en de belasting verschuldigd was geworden op het tijdstip waarop verzoekster de kolen had verworven om deze te gebruiken voor de opwekking van elektriciteit, en dat de maatstaf van heffing van de belasting moest worden bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de kolen, ongeacht de daadwerkelijk voor de opwekking van elektriciteit gebruikte energie. Om die redenen heeft de belastingdienst een nieuwe aanslag vastgesteld en van verzoekster een hoger bedrag aan belasting en de toepasselijke vertragingsrente gevorderd. Verzoekster heeft op 07-04-2016 bij de Tribunal Económico Administrativo Central (TEAC) een economisch-administratief beroep ingesteld tegen de aanslag. kolenbelasting over het belastingjaar 2013, waarbij zij opkomt tegen i) de maatstaf van heffing die is vastgesteld op basis van de calorische bovenwaarde van de kolen, aangezien deze maatstaf volgens haar enkel moet worden vastgesteld op basis van de calorische waarde die daadwerkelijk bij de elektriciteitsproductie wordt gebruikt, (ii) de belasting over 268 717,98 ton kolen die de verbonden onderneming in het belastingjaar 2011 had omdat zij bestemd waren voor wederverkoop, en die verzoekster vervolgens had gebruikt voor de productie van elektriciteit, en iii) de verenigbaarheid met het EU-recht van de belasting op kolen die worden verbruikt voor de productie van elektriciteit.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat, indien het belastingtarief afhangt van de calorische energie die door het verbruik van steenkool wordt opgewekt, gemeten in gigajoule, er geen reden is om alleen rekening te houden met de energie die daadwerkelijk wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit. Ook is hij van mening dat het belastbare feit heeft plaatsgevonden toen verzoekster van haar verbonden onderneming steenkool verwierf voor gebruik bij de productie van elektriciteit. De verwijzende rechter betwijfelt of de in de Spaanse wettelijke regeling voorziene belasting op het verbruik van kolen voor de opwekking van elektriciteit verenigbaar is met de Europese regeling tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit. Indien zou worden aangenomen dat de belasting op kolen, die wordt geheven op kolen die zijn bestemd voor gebruik bij de opwekking van elektriciteit, geen milieudoelstelling heeft in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/96/EG, zou de Spaanse wet onverenigbaar zijn met het Unierecht en zou de aanslag van de belastingdienst onjuist zijn. Meer bepaald heeft de verwijzende rechter ernstige twijfels over de aard van het doel van deze belasting, aangezien een belasting slechts een specifiek doel in de zin van artikel 14, lid, onder a), van de richtlijn nastreeft wanneer zij niet uitsluitend een budgettair doel dient, zoals de financiering van de kosten van het Spaanse elektriciteitsnet.

Prejudiciële vragen:

1) Is een nationale Spaanse regeling waarbij een belasting wordt ingesteld op steenkool die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit, verenigbaar met artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96/EG, wanneer weliswaar wordt gesteld dat deze belasting als doelstelling heeft het milieu te beschermen, maar deze doelstelling niet tot uiting komt in de structuur van de belasting, en de opbrengst ervan wordt gebruikt om de kosten van het elektriciteitssysteem te financieren?

2) Kan de milieudoelstelling worden geacht concreet gestalte te krijgen in de structuur van de belasting door de vaststelling van de belastingtarieven op basis van de calorische waarde van de bij de elektriciteitsproductie gebruikte steenkool?

3) Wordt de milieudoelstelling bereikt door het loutere feit dat belastingen worden geheven op bepaalde niet-hernieuwbare energieproducten en niet op het gebruik van producten die als minder schadelijk voor het milieu worden beschouwd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cristal Union (C-31/17), Statoil Fuel & Retail (C-553/13),

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal