C-844/25 Noshow Consumer Travel Rights
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 16 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 2 april 2026
Trefwoorden: consumentenovereenkomst, onredelijke bedingen, algemene voorwaarden, reisvoorwaarden Onderwerp: Richtlijn (EU) 2015/2302 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen: Artikel 12, lid 1.
Een consument sloot in 2021 een pakketreisovereenkomst met Trendtours Touristik GmbH (hierna: verweerster). De consument annuleerde de reis zonder opgave van reden zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302. Volgens de algemene reisvoorwaarden van verweerster wordt er bij een annulering een annuleringsfactuur opgesteld voor 55% van de reissom. De consument stelt dat de annuleringsvoorwaarden van verweerster onredelijk zijn, aldus ongeldig volgens het Duitse Burgerlijk Wetboek (BGB), omdat deze de reiziger onredelijk zou benadelen. De consument vordert bij de verwijzende rechter terugbetaling van de volledige reissom vermeerderd met rente en kosten. De verwijzende rechter vraagt het Hof of een reisorganisator, wanneer een annuleringsclausule onredelijk is en dus ongeldig, toch recht behoudt op een passende vergoeding gebaseerd op werkelijke schade, of dat hij zijn recht volledig verliest.
Prejudiciële vraag: Moet artikel 12, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd dat, indien in de pakketreisovereenkomst een onredelijke gestandaardiseerde beëindigingsvergoeding is vastgelegd, de reisorganisator zijn recht op betaling van een redelijke/passende beëindigingsvergoeding behoudt, of dat de beëindigingsvergoeding concreet moet worden berekend op basis van het daadwerkelijke nadeel voor de reisorganisator, of dat de reisorganisator zijn recht volledig verliest?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-287/21 FTI Touristik; C-320/23 Bundesarbeitskammer; C-625/21 GUPFINGER Einrichtungsstudio; C-80/21–C-82/21, zaken C-80/21, C-81/21 en C-82/21 D.B.P. (Crédit hypothécaire libellé en devises étrangères); C-229/19 en C-289/19 Dexia Nederland; C-283/81 Cilfit e.a.
Specifiek beleidsterrein: EZ; JenV; SZW