C-847/25 Avocats.be et Liga voor Mensenrechten

Contentverzamelaar

C-847/25 Avocats.be et Liga voor Mensenrechten

Prejudiciële hofzaak  

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     2 april 2026

Trefwoorden: snelrechtprocedure in strafrecht, recht op een eerlijk proces, evenredigheid, grondrechten

Onderwerp: Handvest: artikelen 17, lid 1, en 47; Kaderbesluit 2004/757 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel: artikel 4, lid 5 en artikel 7, lid 1, onder f).

In deze zaak is de gedeeltelijke vernietiging van een Belgische wet ingesteld door verzoekende partijen. De bestreden bepalingen zien op o.a. op de ingestelde strafrechtelijke snelrechtprocedure, bedoeld voor de snellere afhandeling van ‘eenvoudige zaken’. Verzoekende partijen stellen dat de afbakening van deze procedure te vaag is, en daarmee niet voorzienbaar. Eén van de voorwaarden voor de snelrechtprocedure is bijvoorbeeld voorlopige hechtenis, terwijl dit juist vaker bij ernstige feiten wordt voorgeschreven (en daarmee vaak niet de eenvoudige zaken zijn). Daarnaast is er discussie over de Belgische wet, voor zover de bepalingen voorschrijven dat onroerende goederen die bestemd waren voor drugsmisdrijven, verbeurd mogen worden verklaard, ook als ze geen eigendom zijn van de veroordeelde. Verzoekers stellen dat dit een onevenredige aantasting is van grondrechten, en verder gaat dan het doel van het kaderbesluit.

Prejudiciële vragen: 
1. Dienen de artikelen 17, lid 1, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten verplichten, bij de tenuitvoerlegging van de artikelen 4, lid 5, en 7, lid 1, f), van het kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 25 oktober 2004 « betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel », om in een recht te voorzien, voor de derde te goeder trouw die beweert eigenaar te zijn van het onroerend goed waarvan de verbeurdverklaring wordt overwogen, om zijn rechten te doen gelden in de strafprocedure voorafgaand aan de verbeurdverklaring, om van dat recht in kennis te worden gesteld en om, in die procedure, dezelfde rechten te genieten als de burgerlijke partij ? 

2. Dienen de artikelen 4, lid 5, en 7, lid 1, f), van het voormelde kaderbesluit 2004/757/JBZ in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten toelaten, in de bepalingen van nationaal recht die uitvoering geven aan die artikelen, erin te voorzien dat de verbeurdverklaring niet op onevenredige wijze afbreuk mag doen aan het eigendomsrecht, het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en het recht op behoorlijke huisvesting van derden die eigenaar zijn van het onroerend goed waarvan de verbeurdverklaring wordt overwogen of die erin wonen, in voorkomend geval samen met de veroordeelde, zelfs indien die derden te kwader trouw zijn ? 


3. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, houden de artikelen 4, lid 5, en 7, lid 1, f), van het voormelde kaderbesluit 2004/757/JBZ, in zoverre zij bepalen dat de lidstaten de verbeurdverklaring moeten mogelijk maken van onroerende goederen die toebehoren aan derden te kwader trouw of die hen tot woning dienen, in voorkomend geval samen met de veroordeelde, los van de vraag of die verbeurdverklaring op onevenredige wijze afbreuk kan doen aan het eigendomsrecht, het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven of het recht op behoorlijke huisvesting van die derden, een schending in van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals het is gewaarborgd bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens), of het recht op het ongestoord genot van eigendom dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? - vernietigt artikel 216quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III » in zoverre het niet waarborgt dat de aangehoudene en zijn advocaat toegang hebben tot het strafdossier vóór de bevestiging van het vrije en weloverwogen akkoord van de aangehoudene; - onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.25.3, B.25.4, B.29.3, B.35.2, B.35.3 en B.57.3, verwerpt de beroepen voor het overige; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling in zoverre zij aanleiding heeft gegeven tot beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad.
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: JenV