C-875/24 Terpesira  

Contentverzamelaar

C-875/24 Terpesira  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     18 januari 2026

Trefwoorden: rechten van werknemers, non-discriminatiebeginsel

Onderwerp: Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van arbeidstijd: artikel 7; Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (18 maart 1999): clausule 4.

Verzoekster heeft bij de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens niet-omzetting van richtlijn 2003/88 door de Italiaanse staat. De richtlijn ziet op de organisatie van de arbeidstijd. Verzoekster is honorair magistraat en heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zij heeft in 2023 geen vakantie genoten met behoud van loon (met inbegrip van de pensioen- en socialezekerheidsbijdragen). De gewone magistraten, als vergelijkbare werknemers in vaste dienst, hebben echter wel recht op doorbetaling. Het probleem dat zich voordoet is dat verzoekster afstand heeft gedaan van de rechten die voortvloeien uit art. 7, door mee te doen aan een beoordelingsprocedure die haar in staat stelt de functie in de toekomst voor onbepaalde uit te oefenen. De Italiaanse rechter twijfelt of het afstand moeten doen van je rechten in overeenstemming is met het Unierecht.

Prejudiciële vraag: 
Moeten artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van arbeidstijd, en clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, gesloten op 18 maart 1999, die als bijlage is gevoegd bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling die een honorair magistraat verplicht om afstand te doen van rechten uit hoofde van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG en clausule 4, punt 1, die voortvloeien uit in het verleden in die functie verrichte werkzaamheden, en met name van de betaling van een vergoeding tijdens gerechtelijke vakanties en van een stelsel van sociale zekerheid en verplichte verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten, teneinde deel te nemen aan een beoordelingsprocedure die hem in staat stelt om die functie in de toekomst voor onbepaalde tijd uit te oefenen tot de leeftijd van zeventig jaar en met een vast loon, wanneer de toekomstige arbeidsvoorwaarden naast de beloning voor de latere werkzaamheden, geen passende vergoeding inhouden voor de rechten waarvan hij afstand moet doen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-41/23 Peigli; C-236/20 Ministero della Giustizia e.a. (Status van de Italiaanse vrederechters); C-268/06 Impact; C-378/07-380/07 Angelidaki e.a.; C-22/13, C-61/13-63/13 en C-418/13 Mascolo e.a.; C-494/17 Rossato en Conservatorio di Musica F.A. Bonporti.

Specifiek beleidsterrein: SZW