EU-burgers geen recht op bijstand bij kort verblijf in andere EU-lidstaat.

Contentverzamelaar

EU-burgers geen recht op bijstand bij kort verblijf in andere EU-lidstaat.
Bijstandsuitkeringen kunnen zonder nader onderzoek worden geweigerd aan economisch niet-actieve onderdanen van andere lidstaten gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Duitse rechter.

De zaak Garcia-Nieto: juridische context en achtergrond

Dit arrest is het derde in een reeks Duitse zaken over sociale voordelen en het vrije verkeer van EU burgers, na de eerdere recente arresten Dano en Alimanovic. In elk van de zaken staat de vraag centraal of aan EU-burgers, onder bepaalde omstandigheden, een uitkering voor levensonderhoud mag worden geweigerd.

  • De eerste drie maanden van verblijf: In de zaak Garcia-Nieto oordeelt het EU-Hof dat een lidstaat een EU burger (met de nationaliteit van een andere lidstaat) in die periode mag weigeren om een uitkering voor levensonderhoud te verstrekken zonder onderzoek te doen naar de individuele situatie van die burger.
  • Verblijf langer dan drie maanden: In de zaak Dano oordeelde het EU-Hof dat een EU-burger die langer dan drie maanden in een lidstaat verblijft zonder de bedoeling om er werk te zoeken en die niet in staat is om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien een uitkering voor levensonderhoud mag worden geweigerd. In dit verband moet in elk individueel geval worden onderzocht of de belanghebbende voor de toekenning van een verblijfsrecht beschikt over voldoende middelen van bestaan zonder dat de uitkering van het gastland in aanmerking wordt genomen.
  • Verblijf langer dan drie maanden, maar korter dan een jaar: In de zaak Alimanovic oordeelde het Hof dat EU-burgers geen recht hebben op gelijke behandeling met betrekking tot bijstandsuitkeringen wanneer zij korter dan een jaar in het gastland gewerkt hebben, ook al zijn zij wel op zoek naar werk. Een individueel onderzoek naar de eventuele onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van die lidstaat is in deze situatie niet geboden.

Feiten van de zaak Garcia-Nieto

De zaak betreft een gezin met twee kinderen. Alle leden van het gezin hebben de Spaanse nationaliteit. Nadat het gezin zich in Duitsland heeft gevestigd heeft het gezin uitkeringen voor levensonderhoud aangevraagd. In de tussentijd hebben de ouders verschillende arbeidsrechtelijke betrekkingen gehad in Duitsland. De kinderen gaan naar school en het gezin ontvangt voor de kinderen kinderbijslag. Het gezin heeft dus een zekere band met Duitsland. Het Jobcenter heeft geweigerd uitkeringen tot levensonderhoud te verstrekken aan de vader en de zoon van het gezin in de maanden augustus en september 2012, omdat zij in deze twee maanden korter dan drie maanden verbleven in Duitsland.

Arrest EU-Hof

Het EU-Hof bevestigt zijn recente rechtspraak volgens welke een lidstaat onderdanen van andere lidstaten gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf kan uitsluiten van bepaalde sociale uitkeringen (zoals de Duitse uitkeringen voor levensonderhoud voor werkzoekenden en hun kinderen).

Het EU-Hof merkt op dat volgens richtlijn 2004/38 burgers van de Unie het recht hebben gedurende maximaal drie maanden in een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Het gastland kan in een dergelijk geval met een beroep op de afwijking van artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 besluiten om die burger de gevraagde sociale bijstand niet te verlenen. Uit de bewoordingen van die bepaling volgt immers uitdrukkelijk dat het gastland kan weigeren om aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen of personen die deze status hebben behouden ook maar enige sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf.

Die bepaling is volgens het Hof in overeenstemming met de door richtlijn 2004/38 nagestreefde doelstelling om het financiƫle evenwicht van het socialebijstandsstelsel van de lidstaten te bewaren, zoals met name volgt uit overweging 10 van die richtlijn. Aangezien de lidstaten van burgers van de Unie niet mogen eisen dat zij, wanneer zij gedurende een periode van maximaal drie maanden op hun respectieve grondgebieden verblijven, over voldoende bestaansmiddelen en een persoonlijke ziektekostenverzekering beschikken, is het gerechtvaardigd om deze lidstaten niet te verplichten gedurende deze periode de zorg voor deze burgers op zich te nemen.

Volgens het EU-Hof vereist een dergelijke weigering geen onderzoek van de individuele situatie van de betrokkene.