EU-Hof: Arbeidstijdenrichtlijn maakt andere bezoldiging mogelijk voor wachtdiensten zonder en met daadwerkelijke arbeid

Contentverzamelaar

EU-Hof: Arbeidstijdenrichtlijn maakt andere bezoldiging mogelijk voor wachtdiensten zonder en met daadwerkelijke arbeid
Een door een militair uitgeoefende bewakingsdienst is in een aantal gevallen uitgesloten van de werkingssfeer van de Arbeidstijdenrichtlijn. Bijvoorbeeld wanneer die dienst wordt verricht in het kader van opleiding, training of een daadwerkelijke militaire operatie. De Arbeidstijdenrichtlijn verzet zich er niet tegen dat een wachtdienst, gedurende welke een militair een aanwezigheidsplicht op de kazerne heeft maar geen daadwerkelijke arbeid verricht, een andere bezoldiging kent dan een wachtdienst waarin daadwerkelijke arbeid wordt verricht. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Sloveense rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 15 juli 2021 in de zaak C-742/1 9 over toepassing van de arbeidstijdenrichtlijn op militair personeel dat wachtdiensten verricht.

Achtergrond
In de periode van februari 2014 tot en met juli 2015 heeft BK, in zijn hoedanigheid van onderofficier in het Sloveense leger, een ononderbroken wachtdienst van 7 dagen per maand verricht gedurende welke hij te allen tijde bereikbaar en aanwezig moest zijn in de kazerne waar hij was gestationeerd. Deze wachtdienst omvatte zowel perioden waarin BK daadwerkelijk als bewaker moest optreden, als perioden waarin hij slechts ter beschikking van zijn meerderen diende te blijven. Indien de militaire politie, een inspectiedienst of een interventieteam onaangekondigd arriveerde, moest hij daarvan melding maken op het inschrijvingsformulier en de opdrachten van zijn meerderen uitvoeren.

Het ministerie van Defensie was van mening dat voor elk van deze dagen wachtdienst 8 uur als arbeidstijd moest worden beschouwd en heeft BK daarom het normale loon voor deze 8 arbeidsuren betaald. Voor de overige uren heeft BK slechts een bereikbaarheidsvergoeding van 20 procent van het basisloon ontvangen.

BK heeft bij de Sloveense gerechten beroep ingesteld om de uren gedurende welke hij tijdens de wachtdienst geen daadwerkelijke werkzaamheden in dienst van zijn werkgever had verricht, maar verplicht was om ter beschikking van zijn meerderen te blijven in de kazerne, verwijderd van zijn woning en zijn gezin, als overuren uitbetaald te krijgen.

Nadat zijn beroepen in eerste en tweede aanleg waren verworpen, heeft BK beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat (de Arbeidstijden) richtlijn 2003/88 (hierna: de richtlijn) overeenkomstig artikel 1, lid 3, ervan, juncto artikel 2 van richtlijn 89/391 over veiligheid en gezondheid op het werk, niet van toepassing is wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst de toepassing ervan in de weg staan. De verwijzende rechter is van oordeel, onder verwijzing naar het arrest Pfeiffer e.a. ( C‑397/01 –C‑403/01), dat deze uitzondering enkel tot doel heeft om het goed functioneren te waarborgen van diensten die absoluut noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, gezondheid en orde in geval van uitzonderlijk ernstige gebeurtenissen, waarbij het niet mogelijk is om een planning van de arbeidstijd van de interventie- en hulpverleningsdiensten te maken.

De verwijzende rechter merkt op dat BK in dit geval zijn normale werkzaamheden, te weten een „wachtdienst” in vredestijd, op gebruikelijke wijze heeft verricht, zonder dat er tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode sprake was van enige onvoorzienbare omstandigheid of buitengewone gebeurtenis. Het was dus niet onmogelijk om een planning te maken van de arbeidstijd van de betrokkene.

De verwijzende rechter vraagt zich af of de perioden waarin BK tijdens zijn wachtdienst geen daadwerkelijke werkzaamheden in dienst van zijn werkgever verrichtte maar verplicht was om in de kazerne ter beschikking van zijn meerderen te blijven, gesteld dat de richtlijn in dit geval van toepassing is, moeten worden aangemerkt als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2 van de richtlijn.

Na te hebben benadrukt dat deze vraag bevestigend zou kunnen worden beantwoord, merkt deze rechter op dat dergelijke perioden naar Sloveens recht zijn uitgesloten van arbeidstijd, net als de perioden waarin een militair in zijn woning moet blijven, en dat voor deze twee perioden dezelfde vergoeding wordt betaald, hetgeen volgens de verwijzende rechter niet in overeenstemming is met de richtlijn.

De hoogste rechterlijke instantie in Slovenië schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het EU-Hof om een prejudiciële beslissing over twee vragen.

EU-Hof
De prejudiciële vragen betreffen:

1) Is artikel 2 van de richtlijn ook van toepassing op in de defensiesector werkzame werknemers die- of op militair personeel dat- wachtdienst in vredestijd verricht?

2) Staat artikel 2 van de richtlijn in de weg aan een nationale regeling volgens welke de bereikbaarheidsdienst van in de defensiesector werkzame werknemers op de werkplek of op een bepaalde plaats (maar niet in de eigen woning), en de aanwezigheid van in de defensiesector werkzaam militair personeel tijdens de wachtdienst, gedurende welke dit militaire personeel feitelijk geen werk verricht, maar toch fysiek in de kazerne aanwezig moet zijn, niet als arbeidstijd wordt aangemerkt?

Het EU-Hof herformuleert de eerste vraag en stelt dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of bepaalde perioden waarin militair personeel en in de defensiesector actief burgerpersoneel indien nodig ter beschikking van hun meerderen moet blijven, kunnen worden beschouw als ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 van de richtlijn. Het EU-Hof merkt op dat om te bepalen of artikel 2 van de richtlijn van toepassing is op door een militair in vredestijd verrichte bewakingsdiensten – zoals de wachtdienst van BK in deze omstandigheden- moet worden onderzocht of een dergelijke activiteit binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Die is niet bepaald in artikel 2, maar in artikel 1, lid 3 van de richtlijn. Daarnaast moet volgens het EU-Hof worden onderzocht of het Unierecht er niet toe kan strekken de organisatie van de arbeidstijd van militairen te regelen omdat die organisatie een onderdeel is van de organisatie van de strijdkrachten van de lidstaten, die naar hun aard volgens artikel 4, lid 2 EU-Verdrag zijn uitgesloten van de werkingssfeer van dat Unierecht.

Het EU-Hof bepaalt dat artikel 1, lid 3, van de richtlijn, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, EU-Verdrag , zo moet worden uitgelegd dat een door een militair uitgeoefende bewakingsdienst is uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn:
-hetzij wanneer deze activiteit wordt verricht in het kader van zijn aanvankelijke opleiding, een operationele training of een daadwerkelijke militaire operatie,
-hetzij wanneer het gaat om een activiteit die zich vanwege de specifieke kenmerken ervan niet leent voor een roulatiesysteem dat de naleving van de eisen van die richtlijn kan waarborgen,
-hetzij wanneer, gelet op alle relevante omstandigheden, blijkt dat deze activiteit wordt verricht in een context van uitzonderlijke gebeurtenissen waarvan de ernst en de omvang maatregelen vereisen die onontbeerlijk zijn ter bescherming van het leven en de gezondheid alsook de veiligheid van de gemeenschap en waarvan het welslagen onzeker is indien alle voorschriften van die richtlijn moeten worden nageleefd,
-hetzij wanneer de toepassing van die richtlijn op een dergelijke activiteit niet anders dan ten koste kan gaan van het goede verloop van de daadwerkelijke militaire operaties, doordat de betrokken autoriteiten hierdoor verplicht zouden zijn om een roulatiesysteem of een systeem voor de planning van arbeidstijd in te voeren.

Ten aanzien van de tweede vraag bepaalt het EU-Hof –eveneens na herformulering ervan- dat artikel 2 van de richtlijn zo moet worden uitgelegd dat deze zich er niet tegen verzet dat een wachtdienst gedurende welke een militair verplicht is om in de kazerne te blijven waar hij is gestationeerd, maar daar geen daadwerkelijke arbeid verricht, op een andere wijze wordt bezoldigd dan een wachtdienst gedurende welke hij daadwerkelijk arbeid verricht.

Het EU-Hof overweegt in dat kader dat een aan een militair opgelegde wachtdienst, waarbij hij voortdurend aanwezig moet zijn op zijn werkplek, gesteld dat de richtlijn daarop van toepassing is, moet worden aangemerkt als arbeidstijd in de zin van de richtlijn, wanneer deze werkplek niet samenvalt met zijn woning. Daarnaast bepaalt het EU-Hof dat de wijze waarop werknemers voor de door hen verrichte wachtdiensten worden vergoed, niet onder de richtlijn valt maar onder de relevante bepalingen van nationaal recht.

Meer informatie:
ECER-bericht : A-G: EU-Arbeidstijdenrichtlijn in beginsel van toepassing op militairen bij specifieke activiteiten voor de nationale strijdkrachten (12 februari 2021)
ECER-dossier : arbeidsrecht