EU-Hof: besluit tot intrekking van naturalisatietoezegging moet evenredig zijn wanneer intrekking leidt tot permanent verlies van het EU-burgerschap

Contentverzamelaar

EU-Hof: besluit tot intrekking van naturalisatietoezegging moet evenredig zijn wanneer intrekking leidt tot permanent verlies van het EU-burgerschap
Een besluit tot intrekking van een naturalisatietoezegging kan slechts worden genomen op legitieme gronden en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het handhaven van de openbare orde en veiligheid vormt een legitieme grond. Overtredingen van de verkeersregels vormen niet een zodanige bedreiging voor de openbare orde en veiligheid dat intrekking van de naturalisatietoezegging en daarmee het permanente verlies van de status van EU-burger gerechtvaardigd is. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 18 januari 2022 in de zaak C-118/20, JY tegen Wiener Landesregierung .

Achtergrond

Een buitenlander die aan de in artikel 20, lid 1 van de Oostenrijkse nationaliteitswet gestelde voorwaarden voldoet is ervan verzekerd dat hem de Oostenrijkse nationaliteit zal worden verleend wanneer hij binnen twee jaar aantoont dat zijn band met zijn staat van herkomst is ontbonden. De regering van de Oostenrijkse deelstaat Niederösterreich heeft JY in maart 2014 toegezegd dat zij de Oostenrijkse nationaliteit kan verkrijgen. Vervolgens heeft JY binnen de termijn van twee jaar bevestiging van de autoriteiten van Estland ontvangen dat haar nationaliteitsband met Estland was ontbonden. Vanaf dat moment was JY stateloos in afwachting van de toekenning van de Oostenrijkse nationaliteit. 

Artikel 20, lid 2 van de Oostenrijkse nationaliteitswet bepaalt echter dat de gedane toezegging kan worden ingetrokken indien de betrokkene niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van de Oostenrijkse nationaliteit. Tot deze voorwaarden behoort de in artikel 10, lid 1, punt 6 van de nationaliteitswet neergelegde voorwaarde dat de betrokkene geen gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid van Oostenrijk. De regering van de deelstaat Wenen heeft de verzekering ingetrokken, omdat JY twee ernstige administratieve (verkeers)overtredingen had begaan en zij ook verantwoordelijk was voor acht administratieve overtredingen die waren begaan tussen 2007 en 2013.

Door het intrekken van de toezegging tot toekenning van de Oostenrijkse nationaliteit beschikt JY niet langer over een nationaliteit. Doordat JY afstand heeft gedaan van de Estse nationaliteit en geen aanspraak kan maken op de Oostenrijkse nationaliteit heeft zij ook haar status als burger van de EU verloren, omdat die status alleen wordt toegekend aan personen die de nationaliteit van een lidstaat van de EU hebben.

JY heeft beroep ingesteld bij de Oostenrijkse rechter tegen het besluit om de toezegging tot toekenning van de Oostenrijkse nationaliteit in te trekken. Die rechter wil van het EU-Hof weten of de situatie van JY, gelet op de aard en de gevolgen ervan, binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt en of de Oostenrijkse autoriteiten bij de vaststelling van voornoemd besluit het EU-recht, en met name het daarin neergelegde evenredigheidsbeginsel, had moeten eerbiedigen.

EU-Hof

Werkingssfeer EU-recht

Het EU-Hof oordeelt dat JY, als onderdaan van Estland, gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer (artikel 21 EU-Werkingsverdrag) door naar Oostenrijk te reizen en aldaar te verblijven. Het doel van artikel 21 EU-Werkingsverdrag is om de geleidelijke integratie van de betrokkene in de samenleving van de gastlidstaat te bevorderen. De logica van geleidelijke integratie vereist volgens het EU-Hof dus dat een burger van de EU die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, onder de verdragsbepalingen betreffende het burgerschap van de EU vallen. Door middel van naturalisatie in de gastlidstaat heeft de betrokkene namelijk getracht om nog vollediger te integreren in de gastlidstaat.

Evenredigheidsbeginsel

Het EU-Hof brengt in herinnering dat de lidstaten hun bevoegdheid inzake nationaliteit in overeenstemming met het EU-recht moeten uitoefenen. Deze verplichting geldt zowel voor de lidstaat van herkomst (Estland) als de gastlidstaat (Oostenrijk). De lidstaat van herkomst moet ervoor zorgen dat een definitieve beslissing tot ontneming van de nationaliteit pas in werking treedt wanneer de nieuwe nationaliteit van de gastlidstaat daadwerkelijk is verkregen.

De gastlidstaat mag slechts besluiten om een aan een persoon gedane toezegging betreffende de toekenning van de nationaliteit in te trekken, wanneer een dergelijke besluit wordt genomen op legitieme gronden en het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen. Het gedrag van de betrokkene dat de openbare orde en de veiligheid van de gastlidstaat in gevaar kan brengen vormt volgens het EU-Hof een legitieme grond van algemeen belang.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof echter dat het besluit om een toezegging betreffende de toekenning van de nationaliteit in te trekken, niet evenredig is. JY beschikt namelijk niet over de mogelijkheid om de nationaliteit van haar lidstaat van herkomst terug te krijgen. Daarnaast kunnen de administratieve overtredingen die JY had begaan, niet een zodanige bedreiging voor de openbare orde of veiligheid vormen dat de intrekking van de toezegging en daarmee het verlies van de status van EU-burger wordt gerechtvaardigd. 

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Burgerschap van de Unie
  • ECER-bericht – EU-Hof: EU-recht vereist individuele toetsing bij verlies van Nederlandse nationaliteit bij langdurig verblijf buitenland (13 maart 2019)