EU-Hof: koper van motorvoertuig met sjoemelsoftware moet door lidstaat bij schade worden beschermd tegenover fabrikant

Contentverzamelaar

EU-Hof: koper van motorvoertuig met sjoemelsoftware moet door lidstaat bij schade worden beschermd tegenover fabrikant

Omdat het Unierecht geen bepalingen bevat over de voorwaarden waaronder betrokken kopers schadevergoeding kunnen krijgen wegens de aankoop van een voertuig dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument (sjoemelsoftware) is het volgens het EU-Hof aan elke lidstaat om deze voorwaarden zelf te bepalen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 21 maart 2023 in de zaak C-100/21 (Mercedes-Benz Group).

Achtergrond

In maart 2014 kocht de Duitse particulier QB bij Auto Y GmbH een met een Euro 5-dieselmotor uitgeruste tweedehandsauto van het merk Mercedes-Benz. Het betreffende voertuig is uitgerust met motormanagement-software die ertoe leidt dat het uitlaatgasrecirculatiepercentage vermindert wanneer de buitentemperatuur onder een bepaalde drempel ligt. Daardoor neemt de NOx-uitstoot toe. Deze uitlaatgasrecirculatie werkt dus slechts optimaal als de buitentemperatuur niet onder deze drempel daalt. In deze context staat tussen partijen in het hoofdgeding ter discussie bij welke buitentemperatuur het recirculatiepercentage precies vermindert en hoe omvangrijk deze vermindering is.

QB heeft bij de Duitse rechter in eerste aanleg, de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die Mercedes-Benz Group hem zou hebben berokkend door het betrokken voertuig uit te rusten met een manipulatie-instrument dat volgens artikel 5, lid 2, van EU-verordening nr. 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen verboden is.

Partijen in het hoofdgeding hebben onder meer discussie of het betrokken voertuig is uitgerust met een dergelijk verboden instrument, op welke schadevergoeding QB eventueel recht heeft en of het voordeel dat QB heeft verkregen doordat hij dit voertuig heeft kunnen gebruiken, eventueel moet worden verrekend met het bedrag van de schadevergoeding.

De verwijzende rechter vraagt zich onder meer af of artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46/EG tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (hierna: de kaderichtlijn (inmiddels niet meer van kracht), alsook artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, afgezien van de bescherming van algemene belangen, ook betrekking hebben op de belangen van een individuele koper van een niet met het Unierecht overeenstemmend voertuig, met name wanneer dat voertuig is uitgerust met een op grond van deze laatste bepaling verboden manipulatie-instrument.

De verwijzende rechter wil ook weten of het onverenigbaar is met het Unierecht dat volgens nationaal recht de koper van het voertuig een gebruiksvoordeel wegens het werkelijke gebruik van het voertuig moet laten verrekenen, wanneer hij via een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad van de fabrikant, tegen gelijktijdige afgifte en eigendomsoverdracht van het voertuig, de terugbetaling verlangt van de aankoopprijs van een voertuig dat met een in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 bedoeld verboden manipulatie-instrument in het verkeer is gebracht.

Ook vraagt de verwijzende rechter zich af of het onverenigbaar met het Unierecht is dat dit gebruiksvoordeel wordt berekend op basis van de totale aankoopprijs, zonder aftrek van de waardevermindering van het voertuig als gevolg van de uitrusting met een verboden manipulatie-instrument en/of gelet op het feit dat de koper het gebruik van een voertuig dat niet in overeenstemming met het Unierecht is, niet heeft gewild.

De verwijzende rechter schorst de behandeling van de zaak. Hij verzoekt het EU-Hof om een beslissing over een zevental prejudiciële vragen.

EU-Hof
Het EU-Hof begint met de uiteenzetting dat het aan de Duitse rechter is om de feitelijke beoordelingen te verrichten die nodig zijn om vast te stellen of de betrokken programmeersoftware moet worden aangemerkt als manipulatie-instrument in de zin van verordening nr. 715/2007, en of een van de uitzonderingen van deze verordening een rechtvaardiging kan vormen voor het gebruik daarvan

Met zijn eerste en zijn tweede vraag, wenst de rechter volgens het EU-Hof te vernemen of artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, zo moeten worden uitgelegd dat zij, naast algemene belangen, de bijzondere belangen van een individuele koper van een motorvoertuig tegenover de fabrikant ervan beschermen, wanneer dit voertuig is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling. Het EU-Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.   Het EU- Hof oordeelt dat volgens de kaderrichtlijn een rechtstreekse relatie tussen de autofabrikant en de individuele koper van een motorvoertuig ontstaat die deze koper de waarborg biedt dat dit voertuig in overeenstemming is met de relevante Uniewetgeving. Daarom beschermen de bepalingen van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met die van verordening nr. 715/2007, de genoemde algemene  en bijzondere belangen. De lidstaten moeten er volgens het EU-Hof voor zorgen dat de koper van een dergelijk voertuig recht heeft op schadevergoeding van de fabrikant van dat voertuig.

Met zijn vijfde en zijn zesde vraag, wenst de verwijzende rechter volgens het EU-Hof  te vernemen of het Unierecht zo moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat bij de vergoeding van de schade die is toegebracht aan de koper van een voertuig dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, het voordeel dat voortvloeit uit het feitelijke gebruik van dit voertuig wordt verrekend met de terug te betalen aankoopprijs van dit voertuig en, indien dat niet het geval is, dit voordeel wordt berekend op basis van de totale aankoopprijs van dit voertuig. Het EU-Hof bepaalt dat het Unierecht zo moet worden uitgelegd dat het -bij gebrek aan Unierechtelijke bepalingen terzake- aan de betreffende lidstaat is om in zijn nationale recht de voorschriften vast te stellen die de vergoeding regelen van de schade die daadwerkelijk is toegebracht aan de koper van een voertuig dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, waarbij deze vergoeding in verhouding moet staan tot de geleden schade.  

Omdat het Unierecht geen bepalingen bevat over de voorwaarden waaronder de betrokken kopers schadevergoeding kunnen krijgen wegens de aankoop van een voertuig dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument is het volgens het EU-Hof aan elke lidstaat om deze voorwaarden zelf te bepalen. Het EU-Hof wijst er op dat de nationale wetgeving het niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken om de koper een passende vergoeding toe te kennen voor de schade die hij heeft geleden. Verder moeten de nationale rechterlijke instanties erop toezien dat de bescherming van de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden.

Meer informatie:
Persbericht Curia
ECER-bericht: Europese Commissie presenteert voorstel tot aanscherping van de co-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (16 februari 2023)
ECER-dossier: Vervoer

ECER-dossier : Emissienormen voor belangrijke bronnen van luchtverontreiniging