Europese Commissie brengt verslag uit over de stand van zaken van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorziening

Contentverzamelaar

Europese Commissie brengt verslag uit over de stand van zaken van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorziening
De Europese Commissie geeft in het verslag onder meer aan hoe het gaat met de omzetting en uitvoering van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen in de lidstaten. Het verslag gaat in op de notificaties van volledige omzetting van die richtlijn die vóór 31 juli 2021 door zestien lidstaten, waaronder Nederland, bij de Commissie zijn ingediend.

Het gaat om het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de stand van de omzetting en uitvoering van Richtlijn (EU) 2019/663.

Achtergrond

Richtlijn 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen werd in april 2019 aangenomen. De richtlijn heeft tot doel landbouwers, landbouworganisaties en andere leveranciers van landbouwproducten en levensmiddelen te beschermen tegen grotere en machtige afnemers. In de landbouw- en voedselvoorzieningsketen komen vaak aanzienlijke onevenwichtigheden in de onderhandelingspositie tussen leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten voor. De richtlijn beoogt hier oplossingen voor te bieden. De richtlijn bevat onder meer een lijst met verboden oneerlijke handelspraktijken tussen afnemers en leveranciers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. De richtlijn stelt minimumregels vast voor het toepassingsgebied en bevat  belangrijke definities.

Op uiterlijk 1 mei 2021 had de richtlijn door lidstaten omgezet moeten zijn in nationaal recht. De (nationaalrechtelijke) bepalingen moeten uiterlijk per 1 november 2021 door de lidstaten worden toegepast. Nederland heeft de richtlijn bij de Wet Oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen ( wet van 3 maart 2021 ) omgezet in nationaal recht.  
Volgens
artikel 13 van richtlijn 2019/633 , moesten de lidstaten de tekst van de omzetting van de (belangrijkste) richtlijnbepalingen in nationale wetgeving met de Europese Commissie delen voor 1 mei (notificeren). Het verslag geeft een tussenstand van de notificaties die de lidstaten op dit vlak hebben gedaan.

De Commissie heeft inmiddels inbreukprocedures ingeleid tegen de elf lidstaten die de richtlijn nog niet (tijdig) hebben omgezet door aanmaningsbrieven te sturen aan deze lidstaten. Zie voor meer informatie hierover ook deze ECER-informatie.

Inhoud van het verslag

Het verslag behandelt de wijze waarop de lidstaten hebben gekozen de richtlijn te implementeren op het gebied van het toepassingsbereik, de verboden oneerlijke handelspraktijken en de handhavingsmechanismen. Uit het verslag blijkt dat de zestien lidstaten over het algemeen de richtlijn hebben gevolgd bij hun omzetting, maar dat de meeste lidstaten verder zijn gegaan dan het minimumbeschermingsniveau dat in de richtlijn is vastgesteld voor landbouwers en kleine agrovoedingsbedrijven in de context van oneerlijke handelspraktijken. Het merendeel van de lidstaten heeft de lijst met verboden oneerlijke handelspraktijken bij de richtlijn via de nationale implementatie verder uitgebreid of heeft de verbodsbepalingen strenger gemaakt.

Alle zestien lidstaten, op twee na, hebben bepaald dat de bedrijfsomvang als criterium kan worden gebruikt om de werkingssfeer van de richtlijn te beperken. De richtlijn is van toepassing op bepaalde oneerlijke handelspraktijken in situaties waar de leverancier een lagere jaarlijkse omzet heeft dan zijn afnemers ( artikel 1, lid 2 van richtlijn 2019/633 ). Wat betreft de bedrijfsomvang volgen de lidstaten de aanpak van de richtlijn, hoewel de gestelde omzetdrempels onderling verschillen. In sommige gevallen hebben de lidstaten alleen de bedrijfsomvang van de afnemer (en niet de omzetdrempels) meegenomen in hun afweging. Nederland volgt in dit kader de letterlijke tekst van de richtlijn.

De richtlijn bepaalt dat de regels van toepassing zijn op verkooptransacties van landbouw en agrofood waarbij ten minste één partij (verkoper of afnemer) in de EU is gevestigd ( artikel 1, lid 2 van richtlijn 2019/633 ). Uit het verslag blijkt dat in vier van de zestien lidstaten de regels uit de richtlijn van toepassing moeten zijn op verkooptransacties waarbij één partij of beide partijen gevestigd zijn op het grondgebied van de betreffende lidstaat zelf, in plaats van in de hele EU. De omzettingswetgeving van Nederland bevat geen verwijzing naar de plaats van vestiging van de marktdeelnemers.

De richtlijn bevat een “zwarte lijst” (artikel 3, lid 1 van richtlijn 2019/633). De genoemde oneerlijke handelspraktijken op deze lijst zijn onvoorwaardelijk verboden. Daarnaast bevat de richtlijn een “grijze lijst” (artikel 3, lid 2 van richtlijn 2019/633), met daarop praktijken die verboden zijn tenzij de leverancier en de afnemer een dergelijke praktijk vooraf duidelijk wederzijds zijn overeengekomen. De meeste lidstaten hanteren bij hun nationale implementatie dit onderscheid tussen “zwart” en “grijs”. In sommige gevallen zijn extra praktijken aan de lijsten toegevoegd. Zo hebben Kroatië en Letland een algemene bepaling opgenomen om oneerlijke praktijken in het licht van algemene beginselen te verbieden. Nederland heeft beide lijsten uit de richtlijn zonder aanvullingen of relevante afwijkingen overgenomen.

Verder worden er volgens het verslag bij de nationale implementatie ook praktijken van de “grijze lijst” naar de “zwarte lijst” verplaatst. Hongarije heeft bijvoorbeeld alle praktijken in een enkele “zwarte lijst” geplaatst.

Het is op basis van de richtlijn (artikel 4) verplicht voor de lidstaten om één of meer handhavende autoriteiten op nationaal niveau in te stellen. Alle zestien lidstaten hebben administratieve autoriteiten aangewezen om de regels te handhaven. Voor Nederland is dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Drie lidstaten hebben twee autoriteiten aangewezen.
De meerderheid van de lidstaten heeft in het kader van het indienen van klachten vertrouwelijkheidsbepalingen met betrekking tot de identiteit van de klager opgenomen. De voorwaarden voor vertrouwelijkheid verschillen per lidstaat. In Nederland moet de klager alle informatie vermelden waarvoor hij om vertrouwelijkheid verzoekt.

De meest voorkomende maatregelen op het gebied van handhaving zijn financiële sancties. De richtlijn stelt geen minimum- of maximumbedragen vast voor financiële sancties. Toch hebben sommige lidstaten  bij de implementatie wel gekozen voor het vastleggen van minimum en maximum bedragen voor financiële sancties.

Meer informatie: