T-308/25 Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika – Plovdiv 

Contentverzamelaar

T-308/25 Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika – Plovdiv 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     11 mei 2026

Trefwoorden: belasting, aansprakelijkheid, rechtszekerheid, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp: Richtlijn 2006/112 (BTW): artikel 273; VWEU: artikel 325, lid 1.

PR is de directeur en enig aandeelhouder van de Bulgaarse vennootschap XY. Bij een naheffingsaanslag werden uitstaande belastingschulden van de vennootschap vastgesteld. De belastingdienst heeft PR hiervoor persoonlijk aansprakelijk gesteld, omdat hij als directeur te kwader trouw betalingen uit het vermogen van de vennootschap had verricht die kunnen worden aangemerkt als verkapte winst- of dividendenuitkeringen. PR stelt dat de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is, en dat deze na de beëindiging van de faillissementsprocedure uit het handelsregister is geschrapt, waarmee op grond van het nationaal recht de niet-aangemelde vorderingen zijn vervallen. De verwijzende rechter twijfelt of in die omstandigheden nog sprake kan zijn van een btw-verplichting van de vennootschap (en dus aansprakelijkheid van de directeur), in het licht van artikel 273 van richtlijn 2006/112, en 325 lid 1 VWEU.

Prejudiciële vragen: 

1) Moet artikel [273] van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van artikel 325, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat het een nationale regeling toelaat die bepaalt dat in de in artikel 19, lid 2, van de Danachno-osiguritelen protsesualen kodeks (wetboek belasting- en socialeverzekeringsprocesrecht) geregelde omstandigheden een derde aansprakelijk is voor de btw-schuld van een rechtspersoon indien: - de rechtspersoon is geschrapt uit het handelsregister nadat een insolventieprocedure was beëindigd zonder procedure voor de aanmelding van de vorderingen van de schuldeiser; - in dat geval krachtens artikel 739, lid 1, van de Targoven zakon (wetboek van koophandel) alle in de insolventieprocedure niet-aangemelde vorderingen en niet-uitgeoefende rechten, ongeacht de aard en de grondslag van de vorderingen van de schuldeiser en ongeacht de rechtsvorm van de schuldenaar, komen te vervallen; - de beëindiging van de insolventieprocedure en de schrapping van de rechtspersoon uit het handelsregister tijdens de gerechtelijke procedure in eerste aanleg waarin wordt opgekomen tegen de naheffingsaanslag krachtens artikel 19 van het wetboek belasting- en socialeverzekeringsprocesrecht, vóór het einde van de gerechtelijke bewijsvoering worden vastgesteld en krachtens een procedurevoorschrift in aanmerking moeten worden genomen[?]

2) Moet artikel [273] van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van artikel 325, lid 1, VWEU en het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat het een nationale regeling als die van artikel 21, lid 2, juncto artikel 168, punten 6 en 7, van het wetboek belasting- en socialeverzekeringsprocesrecht toelaat, die door de belastingdienst in de in de eerste vraag genoemde omstandigheden wordt toegepast[?]

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: С-201/08 Plantanol; T-50/06 RENV II en T-69/06 RENV II Ierland en Aughinish Alumina/Commissie; C-1/21 Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

Gerelateerde documenten