T-859/25 Kabakum 3808

Contentverzamelaar

T-859/25 Kabakum 3808

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2026

Trefwoorden: btw-verplichting, vermogensbestanddeel, overdracht van vermogensbestanddeel, naslagheffing 
Onderwerp: Richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: Artikelen 9, 19, 213, 214, en 288. 

„Kabakum 3808 – Ofisi” EOOD (hierna: Kabakum) had 3 bedrijfsruimten van „BUILDINGS GROUP” EOOD ingebracht als onderdeel van haar activa. De bedrijfsruimten bevonden zich in een gebouw dat nog in aanbouw was en niet in gebruik was genomen, waardoor ze niet konden worden gebruikt voor economische activiteiten zoals verhuur. Kabakum was niet bij de belastingdienst geregistreerd voor btw-doeleinden en verkocht in november 2023 de 3 bedrijfsruimten. De belastingdienst stelde een naheffingsaanslag vast voor btw-schulden en rente omdat er btw gerekend had moeten worden over de verkopen die plaatsvonden vóór de formele registratie van Kabakum. Kabakum is het hier niet mee eens en stelde beroep in bij de verwijzende rechter omdat de inbreng van de bedrijfsruimten geen overdracht van een onderneming of deel daarvan was, en er geen economische activiteit was voor de verkoop waaruit btw-verplichtingen zouden voortvloeien. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale bepalingen over verplichte btw-registratie en btw-heffing in het kader van de inbreng van vermogensbestanddelen verenigbaar zijn met de btw-richtlijn. 

Prejudiciële vragen: 
1. Kan artikel 19 van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat de inbreng van afzonderlijke vermogensbestanddelen, te weten drie bedrijfsruimten, in het kapitaal van een nieuw opgerichte handelsvennootschap een overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van deze bepaling vormt, ook al is er geen gebruiksvergunning voor het onroerend goed waarin de vermogensbestanddelen zich bevinden en kunnen zij op het tijdstip van de inbreng noch door de inbrengende noch door de overnemende partij worden gebruikt voor belastbare leveringen? 

2. Moet artikel 19 van richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat het een nationale regeling en praktijk toestaat op grond waarvan elke inbreng in natura (inbreng) van vermogensbestanddelen door een voor btw-doeleinden geregistreerde persoon wordt aangemerkt als „geen levering” en de ontvanger krachtens de wet vanaf het tijdstip van inschrijving van de inbreng voor btw-doeleinden is geregistreerd, zonder dat wordt nagegaan of de overgedragen vermogensbestanddelen een algemeenheid van goederen of een onderdeel van een onderneming vormen en de voortzetting van een zelfstandige economische activiteit mogelijk maken, en ongeacht of de ontvanger van de inbreng in natura na de inschrijving van de inbreng met de ingebrachte vermogensbestanddelen een reële zelfstandige economische activiteit is begonnen? 3. Moeten de artikelen 9, 19, 213 en 214 van richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met de beginselen van fiscale neutraliteit, rechtszekerheid en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale praktijk volgens welke een persoon, die naar aanleiding van een inbreng krachtens de wet wordt geacht voor btw-doeleinden te zijn geregistreerd maar geen economische activiteit heeft uitgeoefend, vervolgens als btw-plichtige wordt aangemerkt volgens de regeling die geldt voor de registratie bij het behalen van een bepaalde omzet? 

4. Moet artikel 19 van richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de daaropvolgende verkoop van vermogensbestanddelen die als inbreng in natura door een voor btw-doeleinden geregistreerde persoon zijn ingebracht, volgens de algemene btw-regeling wordt belast, ook wanneer tussen de inbreng en de verkoop een periode van meer dan vijf jaar is verstreken waarin die persoon geen zelfstandige economische activiteit heeft uitgeoefend? 

5. Moeten de artikelen 9, 19, 213, 214 en 288 van richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en fiscale neutraliteit, aldus worden uitgelegd dat, wanneer een inbreng van vermogensbestanddelen niet binnen de werkingssfeer van artikel 19 valt, de latere verkoop van deze vermogensbestanddelen, die niet voor de activiteit van de persoon zijn gebruikt, slechts een belastbare handeling in de zin van artikel 288 kan zijn voor de identificatie overeenkomstig artikel 214, maar geen verplichting schept om btw te berekenen over belastbare leveringen die zijn verricht vóór de registratie van de persoon als belastingplichtige?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-408/98; C-497/01; C-29/08 SKF; C-444/10; C-651/11 X; C-17/18 

Specifiek beleidsterrein: FIN-Fiscaal

Gerelateerde documenten