Tijdelijke afwijking van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden

Contentverzamelaar

Tijdelijke afwijking van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden
Bepaalde aanbieders van elektronische communicatiediensten maken op vrijwillige basis gebruik van technologieën om online kindermisbruik op te sporen op hun diensten. De e-privacyrichtlijn is sinds december 2020 van toepassing op die aanbieders en daardoor kunnen zij niet langer gebruik maken van de technologieën om online kindermisbruik op te sporen. De EU heeft nu een tijdelijke afwijking van de e-privacyrichtlijn vastgesteld om het gebruik van die technologieën weer toe te staan.

Het gaat om verordening 2021/1232. Deze verordening is op 30 juli 2021 bekendgemaakt in het EU-Publicatieblad.  

Achtergrond

In richtlijn 2002/58 (hierna: de e-privacyrichtlijn) zijn regels vastgesteld ter waarborging van het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens bij de uitwisseling van gegevens in de sector elektronische communicatie. De e-privacyrichtlijn vormt een nadere specificatie van en aanvulling op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG).

De EU heeft in 2018 het Europees wetboek voor elektronische communicatie ( richtlijn 2018/1972 ) vastgesteld. Dit wetboek moest op 21 december 2020 door de lidstaten zijn omgezet in nationaal recht en is sindsdien van toepassing. Sinds het van toepassing worden van dit wetboek vallen bepaalde aanbieders van elektronische communicatiediensten – zoals berichten- en e-maildiensten – ook onder de werkingssfeer van de e-privacyrichtlijn. Het gaat bijvoorbeeld om ICT-bedrijven als Facebook. Tot en met 20 december 2020 was alleen de AVG van toepassing op die aanbieders.

Persoonsgegevens

In het kader van elektronische communicatiediensten gaat het bijvoorbeeld om zogenoemde nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (o.a. webmail- en berichtendiensten). Bepaalde nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten maken al gebruik van specifieke technologieën om op vrijwillige basis online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen. Deze informatie wordt door de aanbieders gedeeld met de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en met organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen.

Dergelijke vrijwillige activiteiten zijn ook belangrijk bij het beperken van de verdere verspreiding van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen. Aanbieders van elektronische communicatiediensten kunnen bepaalde content namelijk verwijderen. Tevens dragen dergelijke activiteiten bij aan de identificatie van en het onderzoek naar de daders.

Hoewel het doel van de activiteiten volgens de EU-wetgever legitiem is, maken de aanbieders van elektronische communicatiediensten wel inbreuk op de grondrechten van de gebruikers van hun diensten. Het gaat dan om het grondrecht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven ( artikel 7 EU-Handvest ) en het grondrecht op de bescherming van persoonsgegevens ( artikel 8 EU-Handvest ). Op grond van artikel 52, lid 1 van het EU-Handvest moeten beperkingen op die grondrechten bij wet worden geregeld.

Tijdelijke afwijking

Verordening 2021/1232 voorziet in een tijdelijke afwijking van bepaalde voorschriften van de e-privacyrichtlijn, zodat aanbieders van elektronische communicatiediensten kunnen doorgaan met het opsporen, verwijderen en melden van kinderpornografie en met het inzetten van technologie ter bestrijding van kinderuitlokking (‘grooming)’. Om ervoor te zorgen dat de privacy van de gebruikers van die diensten wordt geëerbiedigd, moeten de aanbieders van dergelijke diensten voldoen aan de voorwaarden uit de AVG en aan een aantal extra waarborgen die in verordening 2021/1232 zijn opgenomen.

De Europese Commissie wil zo snel mogelijk overkoepelende wetgeving voorstellen om online seksueel kindermisbruik tegen te gaan. Die nieuwe wetgeving zal dan in de plaats komen van de tijdelijke afwijking die bij verordening 2021/1232 is vastgesteld. De tijdelijke afwijking is in ieder geval 3 jaar van toepassing, maar kan ook komen te vervallen als de EU-wetgever in de tussentijd definitieve wetgeving vaststelt.

Meer informatie: