Zware criminaliteit

Zware criminaliteit

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 83, lid 1, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU maatregelen kan vaststellen om bepaalde vormen van bijzondere zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie strafbaar te stellen. Tevens kan de EU sancties vaststellen ten aanzien van deze vormen van bijzondere zware criminaliteit. De Raad kan besluiten om andere vormen van zware criminaliteit onder de reikwijdte van artikel 83, lid 1, EU-Werkingsverdrag te laten vallen. Het Europees Parlement moet haar goedkeuring geven aan zo'n besluit en de Raad stemt met eenparigheid van stemmen (artikel 83, lid 1, derde alinea, EU-Werkingsverdrag).

Terrorisme, mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en vrouwen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, cybercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit worden expliciet in artikel 83, lid 1, tweede alinea, EU-Werkingsverdrag genoemd als bijzondere vormen van zware criminaliteit. Op deze onderwerpen wordt hieronder, voor zover de EU wetgeving op deze onderwerpen heeft vastgesteld, ingegaan.

Naar boven

Cybercriminaliteit

Cybercriminaliteit richt zich op informatiesystemen. Informatiesystemen zijn systemen die gericht zijn op het verzamelen, verwerken en verstrekken van gegevens om te kunnen voorzien in de informatiebehoeften van personen binnen en buiten een organisatie of overheid. De burgers in de EU zijn steeds meer afhankelijk geworden van zulke informatiesystemen. Aanvallen op zulke systemen vormen een groeiende bedreiging, met name wanneer deze aanvallen een terroristisch of politiek doel hebben.

De aanvallen richten zich vaak op vitale infrastructuren in de EU. Bij vitale infrastructuren kan worden gedacht aan energiecentrales, vervoersnetwerken of overheidsnetwerken. De verstoring van zulke vitale infrastructuren door cyberaanvallen kunnen ernstige economische schade binnen de EU veroorzaken. Met name omdat systemen uitvallen, de communicatie wordt verbroken en vertrouwelijke gegevens verloren gaan of worden aangepast.  

Richtlijn 2013/40 stelt een aantal handelingen strafbaar (artikel 3 tot 8 van richtlijn 2013/40). Het gaat onder meer om onrechtmatige toegang tot een informatiesysteem en het onrechtmatig onderbreken van de werking van een informatiesysteem. In artikel 9 van de richtlijn zijn minimumvoorschriften voor de sancties opgenomen.

De EU heeft eveneens op grond van Verordening 2019/796 en Besluit (GBVB) 2019/797 een kader ingevoerd dat de EU in staat stelt om sancties op te leggen. Deze sancties moeten het verrichten van cyberaanvallen ontmoedigen en bestrijden. Het gaat om cyberaanvallen tegen derde landen of internationale organisaties en waarbij actie noodzakelijk is om de doelstellingen van het GBVB te kunnen verwezenlijken.

Naar boven

Fraude

Richtlijn 2017/1371 heeft betrekking op de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten, waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad. De richtlijn geeft minimumregels voor de strafbaarstelling en de sanctionering van activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden. Onder financiële belangen van de EU vallen alle ontvangsten, uitgaven en activa die door de EU-begroting worden gedekt, die in het kader van de EU-begroting zijn verworven of die aan de EU-begroting zijn verschuldigd. Naast de EU-begroting heeft de richtlijn ook betrekking op fraude en andere onwettige activiteiten ten aanzien van de begrotingen van instellingen, organen en instanties van de EU, die op grond van de EU-Verdragen zijn opgericht. Daarnaast heeft de richtlijn ook betrekking op fraude en andere onwettige activiteiten ten aanzien van begrotingen die direct of indirect door instellingen, organen of instanties van de EU worden beheerd.

Het Europees Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor het instellen van onderzoeken en het verrichten van strafvervolgingshandelingen ten aanzien van de strafbare feiten in richtlijn 2017/1371. Ook treedt het EOM op als openbaar aanklager bij de bevoegde rechtbanken in fraudezaken.

Naar boven

Georganiseerde criminaliteit

Op 15 november 2000 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad aangenomen (resolutie 55/25). Besluit 2004/579/EG voorziet in de goedkeuring door de EU van het VN-Verdrag. De EU is slechts partij bij het verdrag voor zover de bepalingen van het verdrag binnen de grenzen van haar bevoegdheden vallen.

Het gevaar dat uitgaat van de georganiseerde criminaliteit en de snelheid waarmee criminele organisaties zich ontwikkelen, heeft de EU-wetgever ertoe aangezet om Kaderbesluit 2008/841/JBZ vast te stellen. Het kaderbesluit geeft een definitie van het begrip criminele organisatie (artikel 1) en geeft een overzicht van de gedragingen binnen een criminele organisatie die strafbaar moeten worden gesteld (artikel 2). Artikel 3 geeft minimumvoorschriften inzake de sanctionering van de handelingen die strafbaar zijn gesteld.

Meer informatie:

  • Mededeling van de Commissie: EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit 2021-2025 (14 april 2021) (zie ook het ECER-bericht)

Naar boven

Illegale drugshandel

De illegale drugshandel vormt een bedreiging voor de gezondheid, de veiligheid en de levenskwaliteit van EU-burgers. Daarnaast heeft de illegale drugshandel een grote invloed op de legale economie, de stabiliteit en de veiligheid van de EU-lidstaten. Kaderbesluit 2004/757/JBZ geeft voorschriften voor de strafbaarstelling en de sanctionering van handelingen die te maken hebben met de illegale drugshandel.

Op grond van het kaderbesluit moeten de lidstaten onder meer het produceren, verkopen en in- en uitvoeren van drugs strafbaar stellen. Ook moeten de lidstaten het kweken van onder andere cannabisplanten strafbaar stellen (zie verder artikel 2 van Kaderbesluit 2004/757/JBZ). Artikel 4 van het kaderbesluit geeft minimumvoorschriften ten aanzien van de sanctionering van deze strafbare feiten.

Naar boven

Illegale wapenhandel

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft op 31 mei 2001 het VN-Protocol inzake vuurwapens aangenomen (resolutie 55/255). De naleving van dit protocol vereist dat het illegaal fabriceren of verhandelen van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie strafbaar wordt gesteld (artikel 10). Verordening 258/2012 geeft binnen de EU uitvoering aan deze verplichting uit artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens.

Op grond van de verordening moet voor de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie een vergunning worden aangevraagd. Tevens regelt de verordening de strafbaarstelling van de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essëntiele componenten en munitie zonder uitvoervergunning.

Richtlijn 2021/555 voorziet in voorschriften met betrekking tot de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van vuurwapens. Op grond van de richtlijn moeten bepaalde vuurwapens door de lidstaten worden verboden. Daarnaast kunnen bepaalde vuurwapens alleen worden verworven indien de verwerver over een door de lidstaat afgegeven vergunning beschikt. 

Naar boven

Terrorismebestrijding

De lidstaten van de Raad van Europa hebben in 2005 het Verdrag ter voorkoming van terrorisme ondertekend. Tien jaar later is het Aanvullend protocol bij dit verdrag vastgesteld. In 2018 heeft de EU het verdrag (Besluit 2018/889) en het aanvullend protocol (Besluit 2018/890) goedgekeurd. De EU is slechts gebonden aan het verdrag en het aanvullend protocol voor zover het om aangelegenheden gaat die onder de bevoegdheid van de EU vallen. Het aanvullend protocol ziet onder meer op de strafbaarstelling van bepaalde feiten.

Onder meer om te voldoen aan internationale verplichtingen, waaronder het aanvullend protocol van de Raad van de Europa (2015), heeft de EU-wetgever richtlijn 2017/541 vastgesteld. Deze richtlijn geeft een overzicht van terroristische handelingen die strafbaar moeten worden gesteld. Het gaat onder meer om de werving van terroristen, het opleiden van terroristen of het ontvangen van training van terroristen. In artikel 15 zijn minimumvoorschriften opgenomen voor de sanctionering van deze terroristische handelingen. De richtlijn benadrukt ook dat het soort terrorist steeds verschilt. Het kan gaan om terroristen die vanuit het buitenland komen om in de EU een terroristische handeling te verrichten. Daarnaast kan het ook gaan om EU-burgers die geïnspireerd raken door buitenlandse terroristische organisaties. Om te voorkomen dat EU-burgers vanuit het buitenland kunnen worden beïnvloed, bepaalt de richtlijn dat de teroristische gedragingen ook strafbaar moeten zijn wanneer zij via het internet plaatsvinden.

Richtlijn 2015/849 heeft betrekking op de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor de financiering van terrorisme. Bij de overtreding van de bepalingen van de richtlijn moet de sanctionering plaatsvinden overeenkomstig de artikelen 58 tot 61 van de richtlijn.

Naar boven

Uitbuiting van vrouwen en kinderen (mensenhandel)

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft op 15 november 2000 het VN-protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel aangenomen (resolutie 55/25). Er is in dit protocol bijzondere aandacht voor vrouwen- en kinderhandel. Het VN-protocol heeft betrekking op beleidsterreinen die onder de communautaire bevoegdheid van de EU vallen. Door middel van Besluit 2006/619 heeft de EU het VN-protocol goedgekeurd, voor zover het om beleidsterreinen gaat die onder de bevoegdheid van de EU vallen.

Artikel 5, lid 3, EU-Handvest voor de grondrechten bepaalt dat mensenhandel binnen de EU verboden is. In dat kader stelt richtlijn 2011/36 minimumvoorschriften vast betreffende de omschrijving van strafbare feiten en de sanctionering op het gebied van mensenhandel. De richtlijn heeft betrekking op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van geweld of andere vormen van dwang. Ook kan er sprake zijn van ontvoering, misleiding, bedrog, machtsmisbruik of het misbruiken van een kwetsbare positie (zie verder artikel 2 van richtlijn 2011/36). In artikel 4 van de richtlijn worden minimumvereisten voor de sanctionering neergelegd.

Ook seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, met inbegrip van kinderpornografie, vormen ernstige schendingen van de grondrechten (zie o.a. artikel 24 van het EU-Handvest voor de grondrechten). Richtlijn 2011/93 geeft voorschriften voor de strafbaarstelling van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, kinderpornografie en het benaderen van kinderen voor seksuele handelingen (artikelen 3 tot 6 van richtlijn 2011/93). Deze richtlijn vormt een aanvulling op richtlijn 2011/36.

Meer informatie:

  • Mededeling van de Commissie: EU-strategie voor de bestrijding van mensenhandel 2021-2025 (14 april 2021) (zie ook het ECER-bericht

Naar boven

Vervalsing van betaalmiddelen

Als gezamenlijke munt van de lidstaten van de eurozone is de euro een belangrijke factor geworden in de economie van de EU. EU-burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun betaalmiddelen niet vervalst zijn. Binnen de EU zijn georganiseerde misdaadgroepen actief op het gebied van de vervalsing van betaalmiddelen. De EU-wetgever verplicht de lidstaten op grond van richtlijn 2014/62 om bepaalde feiten met betrekking tot de vervalsing van betaalmiddelen srafbaar te stellen (artikel 3 van richtlijn 2014/62). Tevens geeft de richtlijn voorschriften inzake de sanctionering van deze strafbare feiten (artikelen 5 en 6 van richtlijn 2014/62).

Een aantal EU-lidstaten is ook aangesloten bij het Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij. Artikel 12, eerste zin van het Verdrag verplicht de deelnemende staten om een centraal bureau in te stellen die zich inzet voor de bestrijding van valsemunterij. De EU-lidstaten die partij zijn bij het Verdrag hebben op grond van Besluit 2005/511/JBZ Europol aangewezen als centraal bureau namens alle lidstaten die partij zijn bij het Verdrag.

Naar boven

Witwassen van geld

De EU-wetgever heeft richtlijn 2018/1673 vastgesteld om het witwassen van geld strafrechtelijk te kunnen bestrijden. Artikel 3 van de richtlijn geeft een overzicht van wat onder het witwassen van geld wordt verstaan. In artikel 5 van de richtlijn zijn sancties opgenomen voor de witwasdelicten die in artikel 3 zijn opgenomen.

Op grond van richtlijn 2018/1672 moeten vervoerders bij binnenkomst of het verlaten van de EU aangifte doen als zij meer dan 10.000 euro aan liquide middelen bij zich dragen. De aangifte moet worden gedaan bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij de EU binnenkomen of waar zij de EU verlaten (artikel 3 van verordening 2018/1672). Daarnaast is het ook mogelijk dat liquide middelen de EU binnenkomen of verlaten door middel van onder meer de post. De afzender of de ontvanger moet de bevoegde autoriteiten in kennis stellen van onbegeleide liquide middelen die een bedrag van 10.000 euro overstijgen. De lidstaten kunnen de onbegeleide liquide middelen in bewaring nemen zolang de afzender of de ontvanger geen kennisgeving heeft gedaan (artikel 4 van verordening 2018/1672). Artikel 14 van verordening 2018/1672 verplicht de lidstaten om sancties vast te stellen die van toepassing zijn wanneer niet aan de verplichtingen uit artikel 3 en 4 van de verordening wordt voldaan.

Naar boven