Langdurig ingezetenen

Langdurig ingezetenen

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 3, lid 3, derde alinea, EU-Verdrag bepaalt dat de EU de economische en sociale samenhang tussen de lidstaten moet bevorderen. De integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd, is daarbij van wezenlijk belang. Om deze integratie goed te kunnen laten verlopen moeten onderdanen van derde landen een duurzaam verblijfsrecht kunnen krijgen. Personen die de status van langdurig ingezetene hebben genieten dit duurzame verblijfsrecht. De voorschriften voor de verkrijging van deze status zijn neergelegd in richtlijn 2003/109.

Richtlijn 2003/109 regelt de voorwaarden waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen, die legaal op zijn grondgebied verblijven, de status van langdurig ingezetene kan toekennen en intrekken. Tevens bepaalt de richtlijn welke rechten aan langdurig ingezetenen worden toegekend en stelt de richtlijn de voorwaarden vast waaronder deze langdurig ingezetenen in een andere EU-lidstaat mogen verblijven.

Naar boven

Werkingssfeer

Richtlijn 2003/109 is slechts van toepassing op onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een EU-lidstaat verblijven (artikel 3, lid 1). Artikel 3, lid 2 van de richtlijn geeft een aantal specifieke uitzonderingen. Het gaat daarbij onder meer om onderdanen van derde landen die in een EU-lidstaat verblijven voor studie of een beroepsopleiding.

Met de inwerkingtreding van richtlijn 2003/109 waren derdelanders die internationale bescherming genieten of daartoe een verzoek hadden ingediend, uitgesloten van de reikwijdte van de richtlijn. Onder internationale bescherming worden personen verstaan die de vluchtelingenstatus hebben of personen die vormen van subsidiaire bescherming genieten. In 2011 is Richtlijn 2011/51 aangenomen, die het mogelijk maakt dat personen die internationale bescherming genieten, toch de status van langdurig ingezetene kunnen krijgen. Voorwaarde is wel dat de internationale bescherming inmiddels is toegekend. Personen die slechts een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en waarover nog geen definitieve beslissing is genomen, vallen alsnog buiten de reikwijdte van de richtlijn.

Artikel 3, lid 2, sub e, van de richtlijn bepaalt dat personen die in een EU-lidstaat verblijven op grond van verblijfsvergunningen die formeel beperkt zijn, buiten de reikwijdte van de richtlijn vallen. In de zaak C-502/10, Mangat Singh ging het om een derdelander die in Nederland in 2001 voor bepaalde tijd een verblijfsvergunning had gekregen voor het uitvoeren van het beroep van godsdienstleraar en geestelijk voorganger. De oorspronkelijke verblijfsvergunning liep in 2002 af, maar werd herhaaldelijk vernieuwd. De laatste verlenging vond plaats in 2008. Het EU-Hof oordeelde dat het in deze zaak niet gaat om een verblijfsvergunning die formeel beperkt is, aangezien de geldigheid ervan onbeperkt kan worden verlengd, zonder uitzicht te geven op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Van belang hierbij is of een dergelijke formele beperking de derdelander niet beperkt om zich duurzaam in de betrokken lidstaat te vestigen.

Naar boven

Voorwaarden

De onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene willen krijgen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Legaal en ononderbroken verblijf van 5 jaar (artikel 4)

De onderdaan van een derde land moet vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van een lidstaat hebben verbleven. Deze voorwaarde geldt ook voor gezinsleden van een persoon die inmiddels de status van langdurig ingezetene heeft verkregen. Ook deze gezinsleden moeten vijf jaar lang legaal en ononderbroken op het grondgebied van een lidstaat hebben verbleven (C-469/13, Shamim Tahir). Perioden van afwezigheid van de derdelander vormen geen onderbreking van het vereiste van ononderbroken verblijf van vijf jaar, indien een afwezigheidsperiode minder dan zes achtereenvolgende maanden duurt en de totale afwezigheid niet meer dan 10 maanden bedraagt. Voor verdere modaliteiten op het vereiste van vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf, zie artikel 4 van de richtlijn.

  • Vaste en regelmatige inkomsten (artikel 5, lid 1, sub a)

Personen die in aanmerking willen komen voor de status van langdurig ingezetene moeten over vaste en regelmatige inkomsten beschikken om zichzelf en hun gezinsleden te kunnen onderhouden. Het begrip inkomsten ziet niet uitsluitend op eigen inkomsten, maar kan ook de inkomsten omvatten die door een derde aan de aanvrager ter beschikking worden gesteld. Deze inkomsten van een derde moeten, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene, wel als vast en regelmatig kunnen worden beschouwd (C-302/18, X tegen Belgische Staat).

  • Ziektekostenverzekering (artikel 5, lid 1, sub b)

De aanvrager en zijn eventuele gezinsleden moeten over een ziektekostenverzekering beschikken. Deze verzekering moet alle risico's dekken die normaliter voor de eigen onderdanen worden gedekt.

  • Integratievoorwaarden (artikel 5, lid 2)

De lidstaten kunnen verplichten dat de derdelanders aan de integratievoorwaarden overeenkomstig het nationale recht voldoen. De richtlijn verzet zich er niet tegen dat de verplichting wordt opgelegd om, op straffe van een geldboete, een inburgeringsexamen te behalen. Voorwaarde is echter wel dat de verwezenlijking van dit inburgeringsexamen niet in strijd komt met de doelstellingen van de richtlijn. Het maakt daarbij niet uit of de verplichting werd opgelegd voordat de status van langdurig ingezetene was verkregen dan wel nadien (C-579/13, P en S en het ECER-bericht over deze zaak).

  • Geen bedreiging voor de openbare orde en/of binnenlandse veiligheid (artikel 6)

De lidstaten mogen een verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene weigeren om redenen van openbare orde of binnenlandse veiligheid. Bij de besluitvorming moet de lidstaat rekening houden met het soort inbreuk, de ernst van de inbreuk, het gevaar dat van de verzoeker uitgaat, de duur van het verblijf en het bestaan van banden met het land van verblijf. Artikel 6, lid 2, van de richtlijn bepaalt expliciet dat een verzoek niet op economische gronden mag worden geweigerd.

Naar boven

Status van langdurig ingezetene

Artikel 8, lid 1 van de richtlijn bepaalt dat de status van langdurig ingezetene in beginsel permanent is. De aanvrager ontvangt een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met een geldigheid van tenminste vijf jaar. Bij het verstrijken van de geldigheidstermijn kan de verblijfsvergunning worden verlengd. In onder meer de volgende gevallen kan de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen worden ingetrokken:

  1. Wanneer wordt vastgesteld dat de status op frauduleuze wijze is verkregen (artikel 9, lid 1, sub a) (zie zaak C-557/17, waarin het EU-Hof oordeelde dat een verblijfsvergunning ook kan worden ingetrokken indien de verzoeker geen kennis had van de fraude (ECER-bericht)).
  2. Wanneer er een verwijderingsmaatregel wordt genomen (artikel 9, lid 1, sub b)
  3. Wanneer een langdurig ingezetene voor een aaneengesloten periode van meer dan twaalf maanden niet op het grondgebied van de EU heeft verbleven (artikel 9, lid 1, sub c)
  4. Wanneer de langdurig ingezetene een bedreiging vormt voor de openbare orde (artikel 9, lid 3).

Het EU-Hof heeft zich ook uitgesproken over de verenigbaarheid van leges bij de afgifte en verlenging van verblijfsvergunningen met de doelstellingen van de richtlijn (C-508/10, Commissie tegen Nederland en C-309/14, CGIL en INCA). In deze arresten waren de leges voor de afgifte en verlenging van verblijfsvergunningen voor onderdanen van derde landen zeven tot twintig keer hoger dan de leges voor de afgifte en verlenging van identiteitskaarten voor de eigen burgers. Het EU-Hof oordeelde in beide zaken dat zo'n groot verschil onverenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn.

Naar boven

Rechten

Op een aantal gebieden moeten de langdurig ingezetenen op dezelfde manier worden behandeld als de eigen onderdanen van een lidstaat. Een langdurig ingezetene heeft onder meer het recht om als werknemer of zelfstandige te werken. Het is echter niet mogelijk voor een langdurig ingezetene om deel te nemen aan de uitoefening van het openbaar gezag. Naast het werken moeten langdurig ingezetenen ook gelijk behandeld worden ten aanzien van onderwijs, de toegang tot beroepsopleidingen en de erkenning van beroepsdiploma's, -certificaten en andere titels.

Ook hebben langdurig ingezetenen het recht om fiscale voordelen te genieten en vrije toegang tot het hele grondgebied van de lidstaat. Daarnaast moeten langdurig ingezetenen gelijk behandeld worden ten aanzien van sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale bescherming (zie de zaak C-571/10, Kamberaj over ongelijke behandeling ten aanzien van de toekenning van bijstand voor huisvesting).

Langdurig ingezetenen genieten ook bescherming tegen verwijdering uit de lidstaat. Dit is slechts anders wanneer een langdurig ingezetene een acute en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid vormt. Indien de bevoegde autoriteiten voornemens zijn een verwijderingsbesluit te nemen, moeten zij rekening houden met de duur van verblijf op het grondgebied van betrokkene, de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de verwijdering voor de betrokkene en zijn gezin en het bestaan of ontbreken van banden met het land van herkomst. De bescherming tegen verwijdering geldt voor ieder bestuurlijk besluit tot verwijdering. Daarbij maakt het niet uit dat de verwijdering een sanctie is voor het begaan van bestuursrechtelijke overtredingen danwel vanwege een veroordeling voor strafrechtelijke handelingen (C-636/16, López Pastuzano).

Naar boven

Toegang en verblijf in een tweede lidstaat

Een langdurig ingezetene mag langer dan drie maanden in een andere EU-lidstaat dan de EU-lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, verblijven. Voorwaarde is dat de langdurig ingezetene een verblijfsvergunning in de lidstaat waar hij naartoe is gereisd aanvraagt. Tevens moet hij beschikken over vaste en regelmatige inkomsten en heeft hij een zorgverzekering. De lidstaten mogen een verblijfsvergunning weigeren om redenen van openbare orde of binnenlandse veiligheid, of wanneer de verzoeker een bedreiging voor de volksgezondheid vormt.

Naar boven