De meerjarenbegroting

De meerjarenbegroting

Op deze pagina:

Inleiding

Bij de uitgaven van de EU moet een onderscheid worden gemaakt tussen het Meerjarig Financieel Kader en de jaarlijkse begroting van de EU. De hoogte van de jaarbegrotingen en de bestemming van het geld op hoofdlijnen zijn neergelegd in het meerjarig financieel kader (MFK). Artikel 312, lid 1, tweede alinea, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat het MFK voor een periode van tenminste vijf jaar wordt vastgesteld. In de praktijk wordt het MFK voor een periode van zeven jaar vastgesteld. Het MFK heeft dus betrekking op zeven jaarbegrotingen van de EU.

Naar boven

Meerjarig financieel kader (MFK)

Algemeen

Het doel van het meerjarig financieel kader is om een ordelijke ontwikkeling van de uitgaven van de EU te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen van de EU (artikel 312, lid 1, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag). De uitgaven en de inkomsten van de EU moeten namelijk in evenwicht zijn. Het MFK wordt ook wel de langetermijnbegroting of de meerjarenbegroting van de EU genoemd. 

Naar boven

Vaststellingsprocedure

De Raad stelt volgens een bijzondere wetgevingsprocedure een verordening tot bepaling van het MFK vast. Bij de vaststelling besluit de Raad met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden (artikel 312, lid 2, eerste en tweede volzin, EU-Werkingsverdrag). Tijdens de gehele procedure die leidt tot de vaststelling van het MFK hebben de Raad, de Commissie en het Parlement een loyaliteitsplicht jegens elkaar. Deze loyaliteitsplicht houdt in dat zij alle maatregelen nemen die nodig zijn om de vaststelling van het MFK te vergemakkelijken (artikel 312, lid 5, EU-Werkingsverdrag). Indien de instellingen van de EU er niet in slagen om een nieuw MFK vast te stellen voordat het voorgaande MFK afloopt, blijven de bedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaande MFK van toepassing (artikel 312, lid 4, EU-Werkingsverdrag). 

Het huidige meerjarig financieel kader (2021-2027) is neergelegd in verordening 2020/2093

Naar boven

Uitgavencategorieën en kredieten

In het MFK zijn een aantal uitgavencategorieën opgenomen die corresponderen met de grote beleidsdomeinen van de EU (artikel 312, lid 3, eerste alinea, tweede volzin, EU-Werkingsverdrag). Het gaat daarbij onder meer om de financiële ondersteuning door de EU van minder ontwikkelde regio's ("economische, sociale en territoriale cohesie), migratie en grensbeheer en veiligheid en defensie (zie verder bijlage 1 bij verordening 2020/2093). Daarnaast wordt geld beschikbaar gesteld voor het personeelsbeheer van de EU. 

Tevens worden in het MFK per begrotingsjaar de vastleggingskredieten en betalingskredieten vastgesteld (artikel 312, lid 3, eerste alinea, eerste volzin, EU-Werkingsverdrag). Vastleggingskredieten zijn de sommen waarvoor in een bepaald jaar contractuele verplichtingen kunnen worden aangegaan door de EU. Betalingskredieten zijn de sommen die in dat begrotingsjaar daadwerkelijk worden uitbetaald om toezeggingen uit voorgaande (begrotings)jaren te kunnen bekostigen. Over het algemeen ligt het gereserveerde bedrag voor betalingskredieten iets lager dan de maximumbegroting voor de vastleggingskredieten. 

Naar boven

NextGenerationEU: herstelinstrument

De maatregelen die de lidstaten hebben genomen naar aanleiding van de Covid-19-pandemie hebben tot een ernstige verstoring van de economische activiteiten binnen de EU geleid. De maatregelen naar aanleiding van de Covid-19-pandemie hebben geleid tot een daling van het bruto binnenlands product en hadden tevens gevolgen voor de werkgelegenheid, de sociale omstandigheden en de armoede. Om die redenen heeft de EU, in het kader van de onderhandelingen over het MFK, een herstelinstrument vastgesteld (Verordening 2020/2094). Het doel van het herstelinstrument - ook wel NextGenerationEU genoemd - is het bevorderen van het economisch herstel binnen de EU.

Het herstelinstrument NextGenerationEU is niet vastgesteld op grond van de bepalingen van de begroting, maar op basis van artikel 122 EU-Werkingsverdrag. Artikel 122 EU-Werkingsverdrag maakt onderdeel uit van de bepalingen inzake economisch beleid en voorziet in de mogelijkheid voor de Raad om passende maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn vanwege de economische situatie. In totaal is een bedrag van 750 miljard euro beschikbaar voor het herstelinstrument (artikel 2, lid 1, verordening 2020/2094). 

De middelen die via het herstelinstrument beschikbaar komen mogen alleen worden uitgegeven aan bepaalde maatregelen. Het gaat onder meer om maatregelen om de werkgelegenheid te herstellen en maatregelen om bedrijven die de economische impact van de Covid-19-pandemie ondervinden, te helpen (artikel 1, lid 2, verordening 2020/2094). 

Naar boven

Conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat

De eerbiediging van de rechtsstaat vormt één van de fundamentele waarden waarop de EU is gegrond (artikel 2 EU-Verdrag). De eerbiediging van de rechtsstaat vormt ook een essentiële voorwaarde voor de naleving door de lidstaten van het beginsel van goed financieel beheer van de EU-begroting (artikel 317 EU-Werkingsverdrag). Goed financieel beheer kan namelijk alleen door de lidstaten worden verzekerd indien de overheidsinstanties overeenkomstig het recht handelen, indien gevallen van fraude effectief door vervolgingsinstanties kunnen worden vervolgd en indien beslissingen van overheidsinstanties onderworpen kunnen worden aan effectieve rechterlijke toetsing door onafhankelijke nationale gerechten en het EU-Hof. 

Op grond van verordening 2020/2092 moeten de lidstaten bij de uitvoering van de EU-begroting - met inbegrip van de financiële middelen die beschikbaar worden gesteld via het herstelinstrument NextGeneration EU, leningen en andere door de EU-begroting gegarandeerde instrumenten - de rechtsstaat eerbiedigen. Volgens verordening 2020/2092 is sprake van een schending van de (beginselen van de) rechtsstaat bij:

  • het in gevaar brengen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;
  • het niet voorkomen, corrigeren of bestraffen van willekeurige of onwettige beslissingen van overheidsinstanties, rechtshandhavingsinstanties inbegrepen, het onthouden van financiële en personele middelen waardoor de behoorlijke werking van die instanties wordt aangetast, of het niet voorkomen van belangenconflicten;
  • het beperken van de beschikbaarheid en effectiviteit van rechtsmiddelen, onder meer door middel van restrictieve procedurele regels, het niet uitvoeren van rechterlijke uitspraken of het beperken van het effectief onderzoeken, vervolgen of bestraffen van rechtschendingen (artikel 3, verordening 2020/2092). 

In de verordening zijn voorschriften opgenomen om maatregelen te nemen tegen lidstaten die vanwege schendingen van de rechtsstaat het goede financiële beheer of de financiële belangen van de EU dreigen te schaden (zie artikel 5 voor de maatregelen). Voorbeelden van maatregelen zijn onder meer het opschorten van betalingen aan de lidstaat uit de EU-begroting en het verbod om nieuwe juridische verbintenissen met de lidstaat aan te gaan. 

Voordat maatregelen kunnen worden opgelegd aan een lidstaat moet een procedure worden gevolgd. In de eerste plaats stuurt de Commissie de lidstaat een schriftelijke kennisgeving waarin zij de feitelijke elementen en specifieke redenen uiteenzet waarom er sprake is van een schending van de beginselen van de rechtsstaat. De desbetreffende lidstaat kan vervolgens informatie verstrekken, opmerkingen maken over de bevindingen van de Commissie en corrigerende maatregelen voorstellen. Indien de Commissie voornemens is om een voorstel te doen voor een Raadsbesluit inzake passende maatregelen tegen de lidstaat, stelt zij de lidstaat van tevoren in de gelegenheid om opmerkingen te maken over met name de evenredigheid van de maatregelen. De Raad stelt uiteindelijk op basis van het Commissievoorstel een uitvoeringsbesluit inzake passende maatregelen tegen de lidstaat vast (artikel 6).

De Europese Commissie moet - in samenwerking met de lidstaten - richtsnoeren ontwikkelen met betrekking tot de toepassing van verordening 2020/2092. Indien beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld mogen de richtsnoeren voor de uitvoering pas worden vastgesteld na de uitspraak van het EU-Hof op het beroep tot nietigverklaring (conclusies Europese Raad 10-11 december 2020, punt 2c). Polen en Hongarije hebben beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen verordening 2020/2092 (C-156/21 en C-157/21). De verordening kan daarom pas worden toegepast nadat uitspraak is gedaan in beide zaken. 

Naar boven