Wegvervoer

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 101, lid 1, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU bevoegd is om bepalingen vast te stellen voor het vervoer over de weg. In dat kader dienen onder meer voorschriften te worden vastgesteld voor het verrichten van internationaal goederen- en personenvervoer, maar moeten ook bepalingen worden vastgesteld voor het verrichten van binnenlands goederen- en personenvervoer door personen die niet in een bepaalde lidstaat zijn gevestigd.

Naar boven

Toegang tot en uitoefening van vervoersdiensten

Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van vervoerder

Verordening 1071/2009 regelt de toegang tot en de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. Een wegvervoerondernemer is een ondernemer die personenvervoer of goederenvervoer over de weg verricht. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer willen uitoefenen moeten aan vier voorwaarden voldoen. De ondernemingen moeten werkelijk en op duurzame wijze in een EU-lidstaat gevestigd zijn, betrouwbaar zijn, over voldoende financiële draagkracht beschikken en de vereiste bekwaamheid bezitten (artikel 3, lid 1, verordening 1071/2009). Deze vier voorwaarden zijn nader uitgewerkt in de artikelen 5 tot 8 van verordening 1071/2009.

Naar boven

Toegang tot de vervoersmarkt

Goederenvervoer

Verordening 1072/2009 is van toepassing op het goederenvervoer over de weg. De regels van de verordening gelden ten eerste voor het internationale goederenvervoer. Dit vervoer vindt plaats voor rekening van derden en wordt verricht op trajecten op het grondgebied van de EU. Ook is het mogelijk dat het vervoer vanuit een lidstaat naar een derde land of omgekeerd plaatsvindt. In zo'n geval is de verordening van toepassing op iedere EU-lidstaat van doorgang. Naast het internationale goederenvervoer zijn de voorschriften van verordening 1072/2009 eveneens van toepassing op het binnenlandse goederenvervoer. Het gaat in dit verband om voorschriften inzake de uitoefening van binnenlands goederenvervoer door een niet-ingezeten vervoerder ("cabotagevervoer").

Internationaal goederenvervoer kan slechts worden uitgevoerd wanneer de vervoerder over een EU-vergunning beschikt. Daarnaast moeten bestuurders uit een derde land over een bestuurdersattest beschikken (artikel 3 van verordening 1072/2009). In verordening 1072/2009 zijn voorschriften neergelegd voor de afgifte van een EU-vergunning voor het internationaal goederenvervoer en de afgifte van een bestuurdersattest. Daarnaast mogen vervoerders die over een EU-vergunning en - in het geval van een derdelander - over een bestuurdersattest beschikken cabotagevervoer binnen de EU verrichten (artikel 8 van verordening 1072/2009).

Naar boven

Personenvervoer (touringcar- en autobusdiensten)

Verordening 1073/2009 ​​​​​​​is van toepassing op het personenvervoer over de weg, waarbij meer dan negen personen (inclusief de bestuurder) worden vervoerd. De regels van de verordening gelden ten eerste voor het internationale personenvervoer. Dit vervoer vindt plaats voor rekening van derden en wordt verricht op trajecten op het grondgebied van de EU. Ook is het mogelijk dat het vervoer vanuit een lidstaat naar een derde land of omgekeerd plaatsvindt. In zo'n geval is de verordening van toepassing op iedere EU-lidstaat van doorgang.

Naast het internationale goederenvervoer zijn de voorschriften van verordening 1073/2009 eveneens van toepassing op het binnenlandse personenvervoer. Het gaat in dit verband om voorschriften inzake de uitoefening van binnenlands personenvervoer door een niet-ingezeten vervoerder ("cabotagevervoer").

Naar boven

Verkeersveiligheid

Veiligheid van de weg

Algemeen

In richtlijn 2008/96 zijn procedures vastgesteld met betrekking tot veiligheidseffectbeoordelingen, verkeersveiligheidsaudits, het beheer van de verkeersveiligheid van het wegennet en verkeersveiligheidsinspecties. Het doel van de richtlijn is om het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersletsels op het wegennet van de EU te voorkomen.

Een verkeersveiligheidseffectbeoordeling houdt een beoordeling in van de effecten die een nieuwe weg of een grondige wijziging van het bestaande wegennet op het verkeersveiligheidsniveau van het wegennet heeft. Daarnaast ziet een verkeersveiligheidsaudit op een verkeersveiligheidscontrole van het ontwerp van een infrastructuurproject in alle fasen van het project. Tenslotte ziet een verkeersveiligheidsinspectie op een periodieke beoordeling van de kenmerken en gebreken van het wegennet. Het doel is om noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden vast te stellen.

Richtlijn 2019/1936 verruimt het toepassingsgebied van richtlijn 2008/96. Op grond van richtlijn 2008/96 zijn de voorschriften alleen van toepassing op wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet (TEN-T) (verordening 1315/2013), maar op grond van richtlijn 2019/1936 zijn de bepalingen ook van toepassing op hoofdwegen en autosnelwegen die niet onder het TEN-T vallen. Daarnaast geeft richtlijn 2019/1936 voorschriften voor de bescherming van kwetsbare weggebruikers. Tevens legt de richtlijn een aantal verplichtingen aan lidstaten op met betrekking tot wegmarkeringen en verkeersborden.

Naar boven

Tunnels

Voor tunnels die deel uitmaken van het trans-Europese netwerk en een lengte van meer dan 500 meter hebben gelden speciale regels (richtlijn 2004/54). Elke lidstaat moet één of meer instanties aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor alle veiligheidsaspecten van dergelijke tunnels. Deze instantie moet vervolgens een tunnelbeheerder benoemen die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de tunnel. Tevens dient de tunnelbeheerder een veiligheidsambtenaar te benoemen die alle preventieve en veiligheidsmaatregelen coördineert ter verzekering van de veiligheid van de tunnel.

Naar boven

Veiligheid van voertuigen

De productie van voertuigen

​​​​​​​In verordening 2019/2144 worden de EU-voorschriften inzake de veiligheid van voertuigen geactualiseerd. De verordening ziet onder meer op de invoering van geavanceerde veiligheidstechnologieën als standaarduitrusting voor voertuigen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan achteruitrijdetectie en nauwkeurige bandenspanningscontrole. Verder bevat de verordening een rechtskader voor geautomatiseerde en volledig geautomatiseerde voertuigen. De verordening is van toepassing met ingang van 6 juli 2022. Enkele bepalingen zijn echter al van toepassing vanaf 5 januari 2020 (zie artikel 19 van verordening 2019/2144).

Naar boven

Het gebruik van voertuigen (controle)

De EU heeft een aantal maatregelen vastgesteld met betrekking tot de controle van (bedrijfs)voertuigen en aanhangwagens. In richtlijn 2014/45 zijn minimumvoorschriften neergelegd voor de periodieke controle van voertuigen en aanhangwagens. Verder heeft de EU in richtlijn 2014/47 regels vastgesteld met betrekking tot de controle van bedrijfsvoertuigen langs de weg. Het gaat daarbij onder meer om een visuele controle van de technische toestand van een bedrijfsvoertuig in het algemeen.

Voertuigen kunnen ook gevaarlijke goederen over de weg verplaatsen. Richtlijn 95/50 geeft een uniforme procedure voor het controleren van voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren en zich over het grondgebied van een lidstaat begeven of via een derde land de EU binnenkomen. Voertuigen die toebehoren aan de strijdkrachten of onder de verantwoordelijkheid van de strijdkrachten vallen zijn uitgesloten van dergelijke controles.

Naar boven

Rechten van passagiers en bestuurders

Passagiers

In verordening 181/2011 zijn een aantal regels vastgesteld die gelden voor passagiers die gebruik maken van autobus- en touringcarvervoer. Op grond van deze verordening mogen passagiers op het gebied van de aangeboden voorwaarden niet worden gediscrimineerd vanwege hun nationaliteit. Verder ziet de verordening op de rechten van de passagier bij een ongeval.

Daarnaast geeft verordening 181/2011 een overzicht van de rechten van passagiers bij een annulering of een vertraging. Ook verplicht de verordening om een minimum aan informatie aan de passagier te verschaffen. Tenslotte geeft de verordening voorschriften inzake de klachtenbehandeling.

Naar boven

Bestuurders

De EU heeft voorschriften vastgesteld inzake de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van bestuurders (verordening 561/2006). Het doel van deze voorschriften is om de werkomstandigheden van bestuurders te verbeteren. Richtlijn 2002/15 vormt een aanvulling op de verordening en ziet onder meer op de maximale wekelijkse arbeidstijd van bestuurders, pauzes en het verrichten van nachtarbeid.

  • ECER-bericht: EU-Hof: Niet lang(er) langs de snelweg slapen! (20 december 2017)

Europese rijbewijs

Richtlijn 2006/126 voorziet in de introductie van het Europese rijbewijs. Op grond van deze richtlijn moeten de lidstaten de nationale rijbewijzen volgens een Europees model opstellen. Indien een rijbewijs aan dit model voldoet moet het rijbewijs door andere lidstaten worden erkend. In richtlijn 2006/126 zijn ook voorschriften neergelegd om de vervalsing van rijbewijzen tegen te gaan. Daarnaast zijn in de richtlijn voorwaarden opgenomen voor de afgifte, verlenging of intrekking van rijbewijzen.

Naar boven

Verkeersovertredingen

Richtlijn 2015/413 ziet op de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersovertredingen. Het doel van de richtlijn is om de toepassing van sancties te vergemakkelijken wanneer de overtreding is begaan met een voertuig dat in een andere lidstaat staat ingeschreven. De richtlijn is van toepassing op het rijden met een te hoge snelheid, het niet dragen van een veiligheidsgordel of een veiligheidshelm, het niet stoppen voor een rood licht, het rijden onder invloed van drank en drugs, het gebruiken van een verboden rijstrook of het gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatieapparaat tijdens het rijden (artikel 2, richtlijn 2015/413).

Naar boven