Toezicht EU-Hof

Toezicht EU-Hof

Toezicht EU-Hof

Tegen een besluit van de Commissie om, ondanks een verzoek van tenminste negen lidstaten,  geen voorstel voor een machtigingsbesluit bij Raad en EP in te dienen, is vermoedelijk geen beroep mogelijk. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de Commissie ( artikel 329, lid 1, tweede volzin VWEU: De Commissie kan bij de Raad een voorstel in die zin indienen.).

Zowel het machtigingsbesluit van de Raad als een uitvoeringshandeling voor nauwere samenwerking kunnen door het EU-Hof worden getoetst.

Lidstaten en EU-instellingen kunnen een dergelijk herzieningsberoep instellen wegens onbevoegdheid, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, schending van wezenlijke vormvoorschriften of misbruik van bevoegdheid (artikel 263 VWEU).

Tegen NSP machtigingsbesluiten zijn beroepen ingesteld door Spanje en Italië in de casus van het EU-eenheidsoctrooi (gevoegde zaken C-274/11 en C-295/11 Spanje en Italië tegen Raad) en door het Verenigd Koninkrijk in de FTT-zaak (C-209/13 Verenigd Koninkrijk tegen Raad). Deze beroepen zijn door het EU-Hof afgewezen.

Ook stelde Spanje in de casus van het EU-eenheidsoctrooi een beroep in tegen de NSP uitvoeringsinstrumenten (zaken C-146/13 Spanje tegen Parlement en Raad en C-147/13 Spanje tegen Raad). Ook deze beroepen zijn allebei door het Hof afgewezen.

Infractieprocedures

Tegen een lidstaat die in gebreke blijft zijn verplichtingen in het kader van een nauwere samenwerking na te komen, kan door de Commissie een infractieprocedure worden ingeleid (artikel 258 VWEU). Dit betekent dat de Commissie de deelnemende lidstaten voor het Hof kan dagen indien hun nationale regelgeving niet in overeenstemming is met de in de in het kader van de nauwere samenwerking vastgestelde handelingen, of indien ze hun financiële verplichtingen niet nakomen.

Prejudiciële procedures

Nationale rechters zijn bevoegd prejudiciële vragen voor te leggen aan het EU-Hof over de uitleg of de geldigheid van nauwere samenwerkingshandelingen. De verdragen bepalen namelijk dat prejudiciële vragen kunnen worden gesteld “over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen” (artikel 267, onder b, VWEU). Handelingen die worden vastgesteld volgens de nauwere samenwerkingsprocedure worden vastgesteld door de Raad en, in voorkomend geval, door het Europese Parlement en kwalificeren daarom als handelingen van de instellingen.

De mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen bestaat vermoedelijk ook voor rechters van niet-deelnemende lidstaten, onder dezelfde voorwaarden als de rechters van de deelnemende lidstaten. Dit geldt met name de voorwaarde dat het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het concrete geschil.