Exceptie van onwettigheid
Procedure van exceptie van onwettigheid (artikel 277 EU-Werkingsverdrag)
Artikel 277 EU-Werkingsverdrag stelt dat iedere partij, ook na het verstrijken van de in artikel 263, zesde alinea van het EU-Werkingsverdrag (beroep tot nietigverklaring) bedoelde termijn, naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling/orgaan/instantie van de EU vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel 263, tweede alinea bedoelde middelen aanvoeren om voor het EU-Hof de niet-toepasselijkheid van deze handeling (‘exceptie van onwettigheid’) in te roepen.
Bij de ‘procedure’ van de exceptie van onwettigheid gaat het niet zozeer om een procedure of om een exceptie in procesrechtelijke zin die vaak door een verweerder in een geding wordt opgeworpen, maar om een handeling/ het inroepen van een exceptie over de grond van een geschil(punt), die door elke procespartij – en vaak ook de rechter zelf– kan worden aangevoerd. De partijen (of de rechter zelf) werpen in dat geval geen belemmering op om het onderzoek van de eis door de rechter te verhinderen (wat wel gebeurt bij de klassieke exceptie), maar zij betwisten de grondslag zelf van de aanspraak of het verweer, meer in het bijzonder door de wettigheid van een toepasselijke bestuurshandeling in twijfel te trekken. De bedoeling van het inroepen van de “exceptie van onwettigheid” is om de vraag naar de wettigheid van die betreffende bestuurshandeling expliciet aan de orde te stellen.
Anders dan de directe beroepen (nietigheid, schadevergoeding en nalaten), biedt de exceptie van onwettigheid een indirecte mogelijkheid om EU-handelingen van algemene strekking (zoals verordeningen of richtlijnen) aan te vechten. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin een particulier een nietigheidsberoep instelt tegen een uitvoeringsbesluit van de Commissie op grond van artikel 263 EU-Werkingsverdrag. In het kader van díe actie kan hij, indirect oftewel ‘incidenteel’, ook de ‘bovenliggende’ basishandeling (verordening of richtlijn) aanvechten waarop het uitvoeringsbesluit is gebaseerd, bijvoorbeeld wegens strijd met de vrij verkeersbepalingen. In die situatie hoeft hij niet aan te tonen dat hij door de basishandeling rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Ingeval het Gerecht of Hof oordelen dat de basishandeling inderdaad in strijd is met primair recht, wordt deze in het concrete geval niet toegepast. Bijgevolg moet de uitvoeringshandeling worden vernietigd, omdat deze steunt op een ondeugdelijke rechtsgrondslag. Hoewel de niet-toepassing van de basishandeling juridisch blijft beperkt tot dát geval, is de impact breder: er is immers sprake van een met het Unierecht strijdige basishandeling die door de Uniewetgever moet worden ingetrokken of aangepast. De exceptie van onwettigheid kan enkel voor het EU-Hof en Gerecht worden opgeworpen (niet voor de nationale rechter).
Snelkoppeling
naar jurisprudentie over artikel 277 EU-Werkingsverdrag via de website
van het Hof van Justitie van de EU (Curia).