C-661/25 Meritpanorama e.a.  

Contentverzamelaar

C-661/25 Meritpanorama e.a.  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     31 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     17 februari 2026

Trefwoorden: belasting, vrij verkeer van kapitaal, fraudebestrijding, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp: VWEU: artikel 63; 

Verzoekers zijn eenpersoonsvennootschappen gevestigd in Portugal. Deze vennootschappen zijn via Luxemburgse tussenhouders indirect eigendom van entiteiten op de Kaaimaneilanden. In Portugal wordt een verhoogd belastingtarief gepast op entiteiten die indirect gecontroleerd worden door entiteiten die hun fiscale woonplaats hebben in een gebied met een gunstiger belastingstelsel, zoals bij verzoekers. Verzoekers stellen dat de verhoogde belastingheffing niet verenigbaar is met het vrij verkeer van kapitaal onder artikel 63 VWEU. De Portugese rechter vraagt of het verschil in belastingheffing gerechtvaardigd kan worden door de dwingende reden van algemeen belang (hier de bestrijding van belastingfraude). 

Prejudiciële vragen: 
1. Vormt een wettelijke regeling als de Portugese, die voorziet in de toepassing van een hoger belastingtarief op de verkrijging en het bezit van onroerende goederen door belastingplichtigen die direct of indirect onder zeggenschap staan van of gecontroleerd worden door een entiteit die haar fiscale woonplaats heeft in een land, gebied of regio dat respectievelijk die een gunstiger belastingstelsel kent en is opgenomen in de lijst die is vastgesteld bij besluit van de minister van Financiën, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU? 

2. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, vormt de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking dan een dwingende reden van algemeen belang die een dergelijke beperking kan rechtvaardigen? 

3. Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, kan een dergelijke beperking dan worden geacht verder te gaan dan noodzakelijk is indien: a) de belastingplichtige niet het recht heeft om onder de toepassing van het verhoogde tarief van de IMT [(gemeentelijke overdrachtsbelasting)] en de IMI [(gemeentelijke onroerendgoedbelasting)] uit te komen door te bewijzen of aan te tonen dat de constructie voor de verkrijging en het bezit van onroerend goed in Portugal – ondanks het feit dat deze constructie entiteiten omvat die gevestigd zijn in rechtsgebieden met een laag belastingniveau – niet het resultaat is van kunstmatige constructies en legitiem is omdat zij berust op geldige commerciële en economische redenen? b) het antwoord op de vraag onder a) afhangt van het al dan niet bestaan van een overeenkomst tot uitwisseling van fiscale inlichtingen tussen Portugal en het derde land met een laag belastingniveau, op grond waarvan inlichtingen over de aard van de activiteiten van de in dat derde land gevestigde entiteit kunnen worden verkregen met het oog op de toepassing van de nationale belastingwetgeving inzake belastingen zoals de IMT en de IMI, die in deze zaak aan de orde zijn? 

4. Vormen de bepalingen van de Portugese wetgeving inzake de vermogensbelasting, zoals opgenomen in artikel 17, lid 4, onder b), van het wetboek inzake de IMT en in artikel 112, lid 4, onder b), van het wetboek inzake de IMI, die hogere vaste belastingtarieven van respectievelijk 10 % en 7,5 % vaststellen (in plaats van de gebruikelijke tarieven, die variëren van 5 % tot 6,5 % en van 0,3 % tot 0,8 %) – waarbij het eerste tarief van toepassing is op het moment van de verkrijging onder bezwarende titel, en het tweede tarief van toepassing is op het bezit van onroerende goederen – een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU wanneer de belastingplichtige (de eigenaar van het in Portugal gelegen onroerend goed) direct of indirect eigendom is van een entiteit die haar fiscale woonplaats heeft in een land, gebied of regio met een gunstiger belastingstelsel, met name wanneer de verzoekende partijen in Portugal zijn gevestigd en indirect eigendom zijn van een of meer entiteiten met fiscale woonplaats op de Kaaimaneilanden, die zijn opgenomen op de lijst die is vastgesteld bij besluit van het ministerie van Financiën? 

5. Indien de beperking gerechtvaardigd is en niet verder gaat dan noodzakelijk is, is er dan een verschil in behandeling toegestaan tussen enerzijds entiteiten die onroerende goederen verkrijgen en bezitten en die ingezetenen zijn van landen, gebieden of regio’s met een gunstiger belastingstelsel die zijn opgenomen in de bij besluit van de minister van Financiën vastgestelde lijst en waarmee mechanismen voor wederzijdse administratieve bijstand en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken bestaan, en anderzijds entiteiten die onroerende goederen verkrijgen en bezitten en die ingezetenen zijn van Portugal of andere niet op die lijst opgenomen landen, door op eerstgenoemde entiteiten een hoger belastingtarief toe te passen, uitsluitend op basis van de plaats waar zij gevestigd zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-135/17 X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd); C-156/17 Köln-Aktienfonds Deka; C-190/12 Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company; C-436/08 en C-437/08 Haribo Lakritzen Hans Riegel BetriebsgmbH en Österreichische Salinen AG; C-35/11 Test Claimants in the FII Group Litigation; C-326/12; C-282/12 Itelcar.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal