C-821/25 Save Leitrim Environmental and Biodiversity   

Contentverzamelaar

C-821/25 Save Leitrim Environmental and Biodiversity   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie [voor zover beschikbaar].

Termijnen: Motivering departement:     16 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     2 april 2026

Trefwoorden: informatieverzoek, milieu informatie, certificaataudit, gelijkwaardigheidsbeginsel 

Onderwerp: Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden: Artikel 4, lid 8; Richtlijn 2003/4 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie: artikel 5, lid 2. 

Save Leitrim Environmental and Biodiversity Company Limited by Guarantee [hierna: verzoekster] heeft in 2023 bij Coillte een AIE-verzoek ingediend om toegang tot milieu-informatie, namelijk een certificatieaudit. Coillte heeft in ruil voor de toegang tot deze informatie een vergoeding gevraagd. Verzoekster heeft tegen deze heffing administratief beroep ingesteld bij de Commissioner for Environmental Information. The Commissioner for Environmental Information heeft bij beslissing van maart 2025 een lager bedrag gehandhaafd. Verzoekster betwist deze kosten bij de verwijzende rechter en stelt dat volgens artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/4 en artikel 4, lid 8, van het Verdrag van Aarhus dergelijke vergoedingen voor arbeidstijd niet mogen worden geheven. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het gelijkwaardigheisbeginsel zich verzet tegen het opleggen van dergelijke vergoedingen bij een Unierechtelijk verzoek als die niet zijn toegestaan bij een nationaal rechtelijk verzoek onder vergelijkbare omstandigheden.

Prejudiciële vragen: 
1. Vloeit uit artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/4 en/of artikel 4, lid 8, van het [Verdrag van Aarhus] [OMISSIS], in het licht van besluit VII/8n betreffende de naleving door de Republiek Moldavië van haar verplichtingen onder het [Verdrag van Aarhus], vastgesteld tijdens de zevende zitting, van 18 tot 20 oktober 2021, van de Vergadering van partijen bij dat verdrag [OMISSIS], zoals toegepast na de vaststelling van dat besluit, voort dat een vergoeding voor het verstrekken van een bepaald type milieu-informatie geen deel mag omvatten van de algemene kosten die verband houden met de tijd die het personeel van de openbare instantie aan wie krachtens die richtlijn en/of dat verdrag om toegang tot milieu-informatie is verzocht, heeft besteed aan het beantwoorden van individuele informatieverzoeken, met name de kosten die kunnen worden toegerekend aan de tijd besteed aan het opzoeken, verzamelen en samenvoegen van de informatie?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, vloeit dan uit artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/4 en/of artikel 4, lid 8, van het [Verdrag van Aarhus] [OMISSIS] als onderdeel van het Unierecht, voort dat het gelijkwaardigheidsbeginsel zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting van de richtlijn en/of het verdrag in bepalingen van nationaal recht [„omzettingswetgeving”] een vergoeding oplegt die enig deel omvat van de algemene kosten in verband met de tijd die het personeel van een openbare instantie waaraan krachtens die richtlijn en/of dat verdrag een verzoek [een „Unierechtelijk verzoek”] om toegang tot milieu-informatie is gedaan, heeft besteed aan het beantwoorden van individuele informatieverzoeken, met name de kosten die kunnen worden toegerekend aan de tijd besteed aan het opzoeken, verzamelen en samenvoegen van de informatie, wanneer een vergoeding ter hoogte van dat bedrag voor enig deel van de algemene kosten in verband met de tijd die het personeel van een openbare instantie heeft besteed aan een overeenkomstige taak bestaande in het beantwoorden van individuele informatieverzoeken, met name de kosten die kunnen worden toegerekend aan het opzoeken, verzamelen en samenvoegen van de informatie, niet wettig zou zijn voor een verzoek [een „nationaalrechtelijk verzoek”] dat is gedaan krachtens nationale wetgeving inzake het recht op informatie [„nationale wetgeving”]; en zo ja, vloeit uit die bepalingen dan voort dat bij de beoordeling door de verwijzende rechter of de procedure voor een nationaalrechtelijk verzoek voldoende overeenkomsten met de procedure voor een Unierechtelijk verzoek vertoont om het gelijkwaardigheidsbeginsel van toepassing te achten, een of meer van de volgende factoren zich verzetten tegen de vaststelling dat er voldoende overeenkomsten zijn:
i] het feit dat de nationale wetgeving, die per definitie niet is gericht op de omzetting van het Unierecht in nationaal recht en niet is gekoppeld aan een proactieve verplichting tot openbaarmaking, tot doel heeft om de toegang tot informatie in het belang van transparantie te bevorderen, terwijl de omzettingswetgeving tot doel heeft de toegang tot milieu-informatie te bevorderen in het belang van het milieu, met een proactieve verplichting tot openbaarmaking; 
ii] het feit dat de omzettingswetgeving en de nationale wetgeving op bepaalde kleine en procedurele punten verschillen, waaronder de formulering van criteria en uitzonderingen en/of de regels inzake het opleggen van heffingen, en/of het feit dat juridisch onderscheiden autoriteiten daarbij betrokken zijn, die in de praktijk bestaan uit dezelfde persoon; en/of
iii] het feit dat bij de specifieke instantie waaraan door middel van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Unierechtelijke verzoek om informatie werd gevraagd, geen nationaalrechtelijk verzoek kon worden ingediend?

Aangehaalde [recente] jurisprudentie: C-240/09 Lesoochranárske zoskupenie VLK/Ministerstvo zivotného prostredia Slovenskej republiky; C-431/22 Scuola europea di Varese; C-71/14 East Sussex County Council/Information Commissioner; C-33/76 Rewe-Zentralfinanz eG en Rewe-Zentral AG/Landwirtschaftskammer für das Saarland; C-246/09 Bulicke/Deutsche Büro Service GmbH. 

Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV

Gerelateerde documenten