C-247/21 Luxury Trust Automobil

Contentverzamelaar

C-247/21 Luxury Trust Automobil

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 juni 201
Schriftelijke opmerkingen:                     2 augustus 2021

Trefwoorden : btw-richtlijn; factuur; driehoekstransactie;

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster is een in Oostenrijk gevestigde vennootschap die zich bezig houdt met grensoverschrijdende bemiddeling en grensoverschrijdende verkoop van luxevoertuigen. In 2014 heeft verzoekster bij een leverancier in het Verenigd Koninkrijk meerdere malen voertuigen gekocht en deze doorverkocht aan een in Tsjechië gevestigde vennootschap. De drie betrokken ondernemers hebben daarbij telkens het btw-identificatienummer van hun staat van vestiging aangegeven. De voertuigen zijn rechtstreeks door de leverancier in het Verenigd Koninkrijk aan de ontvanger in Tsjechië geleverd; het vervoer werd geregeld door verzoekster. De facturen bevatten de vermelding „van belasting vrijgestelde intracommunautaire driehoekstransactie”. De Tsjechische onderneming wordt door de Tsjechische belastingdienst aangemerkt als een “ploffirma”. De onderneming was voor de Tsjechische belastingdienst niet bereikbaar en heeft in Tsjechië over de driehoekstransacties geen btw aangegeven en afgedragen. Bij besluit van 25-04-2016 heeft de belastingdienst verzoekster aangeslagen voor de btw over het jaar 2014. De belastingdienst gaf aan dat de drie facturen die verzoekster aan de Tsjechische vennootschap had uitgereikt geen melding maakte van de verlegging van de verschuldigde btw. Er was derhalve sprake van een “mislukte driehoekstransactie”, die achteraf niet meer kon worden hersteld. Vanwege het gebruikte Oostenrijkse btw-identificatienummer werd uitgegaan van een intracommunautaire verwerving in Oostenrijk. Het door verzoekster tegen deze aanslag ingestelde beroep werd door de belastingrechter afgewezen, tegen welke afwijzing zij vervolgens Revision heeft ingesteld bij de hoogste bestuursrechter.

Overweging:

De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de uitdrukkelijke vermelding van het bestaan van een intracommunautaire driehoekstransactie en van de belastingplichtigheid van de laatste afnemer op de facturen. De facturen van verzoekster voldeden niet aan dit vereiste, aangezien zij weliswaar melding maakten van een driehoekstransactie, maar niet van de belastingplichtigheid van de laatste afnemer. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst vervolgens de vraag of een dergelijke factuurvermelding rechtsgeldig kan worden gecorrigeerd. Ten slotte rijst de vraag welke nationale regels gelden in casu (Oostenrijks / Tsjechisch).

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), van deze richtlijn (zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010) aldus worden uitgelegd dat degene voor wie de levering bestemd is ook als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon moet worden aangewezen wanneer op de factuur, waarop geen btwbedrag wordt vermeld, wordt vermeld: „Vrijgestelde intracommunautaire driehoekstransactie”?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

a) Kan een dergelijke vermelding op de factuur rechtsgeldig met terugwerkende kracht worden gecorrigeerd (door de vermelding: „Intracommunautaire driehoekstransactie overeenkomstig § 25 UStG.

De verschuldigde belasting wordt verlegd naar de ontvanger.”)?

b) Is het voor een rechtsgeldige correctie noodzakelijk dat de gecorrigeerde factuur wordt bezorgd bij degene voor wie de factuur bestemd is?

c) Heeft de correctie terugwerkende kracht tot de datum van de oorspronkelijke factuur?

3) Moet artikel 219 bis van de richtlijn 2006/112/EG (zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 en de rectificatie in PB L 299/46 van 17 november 2010) aldus worden uitgelegd dat voor de facturering de regels gelden van de lidstaat waarvan de regels van toepassing zouden zijn, indien op de factuur (nog) geen „afnemer” was vermeld als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon; of zijn de toe te passen regels die van de lidstaat waarvan de regels van toepassing zouden zijn, indien de aanwijzing van de „afnemer” als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon als rechtsgeldig wordt aangemerkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: X en fiscale eenheid Facet Trading C-536/08 en C-539/08, C-146/05; C-624/15; C-580/16 ; C-518/14; SC, C-835/18;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal