C-347/20 Zinātnes parks

Contentverzamelaar

C-347/20 Zinātnes parks

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     30 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     16 november 2020

Trefwoorden : staatssteun; structuurfondsen;

Onderwerp :

-           Verordening nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden  verklaard;

-           Verordening nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van  verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

 

Feiten:

Op 15-01-2019 heeft het centraal bureau voor financiën en contracten (hierna: Bureau) een openbare oproep gedaan tot het indienen van steunprojecten uit het medefinancieringsprogramma “Groei en Tewerkstelling” van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling. Verzoekster (Zinātnes parks) heeft een project ingediend. Samen met de aanvraag heeft verzoekster een besluit van haar vergadering van vennoten overgelegd, dat strekte tot wijziging van haar statuten en verhoging van haar statutair kapitaal door storting van een deel van het statutaire kapitaal, vermeerderd met een agio, door een welbepaalde vennoot en binnen een bepaalde termijn. Tijdens de beoordelingsperiode van het project heeft verzoekster het Bureau meegedeeld dat de verhoging van het statutaire kapitaal in het handelsregister was ingeschreven. Ook heeft zij een door een beëdigd accountant goedgekeurd tussentijds operationeel verslag overgelegd. Bij besluit van het ministerie van Financiën is verzoeksters project afgewezen op grond dat zij op de indieningsdatum van de aanvraag een “onderneming in moeilijkheden” was in de zin van artikel 2(18)a) van verordening 651/2014. Verzoekster heeft daartegen beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Centraal staat het twistpunt of, en in voorkomend geval hoe, de door verzoekster ondernomen stappen om haar financiële situatie te verbeteren de beoordeling van het project in het kader van de openbare oproep hebben beïnvloed.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat het begrip “onderneming in moeilijkheden” autonoom moet worden uitgelegd. In casu is de juiste opvatting van “geplaatst aandelenkapitaal” van doorslaggevend belang, aangezien daarvan het referentiekader afhangt voor de beoordeling van de financiële situatie van verzoekster. De verwijzende rechter heeft in de rechtspraak van het Hof geen antwoord gevonden. Bovendien is het de vraag of bij de beoordeling van de financiële situatie van de indiener de in de selectieprocedure gestelde eisen m.b.t. de in te dienen documenten relevant zijn, en of het toegestaan is om de vastgestelde tekortkomingen in de loop van de selectieprocedure te verhelpen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet het begrip „geplaatst aandelenkapitaal” zoals vermeld in artikel 2, lid 18, onder a), van verordening nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden  verklaard, gelezen in samenhang met andere bepalingen van Unierecht inzake  vennootschapsactiviteiten, aldus worden uitgelegd dat om het geplaatste aandelenkapitaal te bepalen alleen moet worden uitgegaan van de vermeldingen die op de in het nationale recht van elke lidstaat voorgeschreven wijze openbaar zijn gemaakt, met dien verstande dat deze vermeldingen dus pas vanaf dat moment als effectief moeten worden beschouwd?

2) Moet bij de beoordeling van het begrip „onderneming in moeilijkheden” zoals vermeld in artikel 2, lid 18, van verordening nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, belang worden gehecht aan de eisen die in de procedure voor de selectie van projecten voor Europese fondsen worden gesteld aan de documenten die moeten worden overgelegd om de financiële situatie van de betrokken onderneming aan te tonen?

3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan een nationale wettelijke regeling voor de selectie van projecten die bepaalt dat projecten niet kunnen worden toegelicht na de indiening ervan, verenigbaar met de beginselen van transparantie en non-discriminatie zoals vermeld in artikel 125, lid 3, onder a), ii), van verordening nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van  verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-497/10; C-324/14; C-42/13

Specifiek beleidsterrein: EZK; LNV; FIN