C-519/20 Landkreis Gifhorn 

Contentverzamelaar

C-519/20 Landkreis Gifhorn 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     26 januari 2021

Trefwoorden : terugkeer derdelanders; asiel en migratie; penitentiaire inrichting

Onderwerp :

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;

Feiten:

Verzoekster (de vreemdelingendienst) wenst een Pakistaans staatsburger te verwijderen naar Pakistan. Betrokkene is verplicht het grondgebied te verlaten maar heeft verklaard dat hij deze verplichting niet vrijwillig zou nakomen. Op 11-08-2020 is hij in hechtenis genomen en op dezelfde dag heeft het bevoegde Amtsgericht de bewaring met het oog op verwijdering (bewaringsmaatregel) gelast t/m 25-09-2020. Op 11-08-2020 werd betrokkene naar de penitentiaire inrichting Hannover (hierna: PI) overgebracht. Vervolgens heeft verzoekster een paspoortvervangend document aangevraagd zodat de betrokkene op 23-09-2020 naar Pakistan zou kunnen vliegen. Uiteindelijk heeft de luchtvaartmaatschappij betrokkene niet vervoerd omdat hij kenbaar maakte niet mee te willen vliegen. Hierop heeft verzoekster wederom een paspoortvervangend document aangevraagd om betrokkene onder begeleiding van bewakers te vervoeren (op 10-11-2020). Om het vervoer te organiseren, heeft verzoekster verzocht de bewaring met het oog op verwijdering t/m 12-11-2020 te verlengen.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter schendt het onderbrengen van betrokkene in de PI in de periode van 25-09-2020 t/m 02-10-2020 §62a(1) AufenthG (Duitse wet betreffende het verblijf, de beroepsactiviteit en de integratie van vreemdelingen). De bewaring met het oog op verwijdering werd namelijk niet in een „speciale inrichting voor bewaring” ten uitvoer gelegd aangezien op het terrein ook gevangenen waren ondergebracht. Aangezien de wetgever met de wijzigingswet wil afwijken van artikel 16(1) van richtlijn 2008/115 en daarbij een beroep doet op een noodsituatie in de zin van artikel 18(1) rijst om te beginnen de eerste prejudiciële vraag, namelijk of de rechter die is belast met het gelasten van de inbewaringstelling, zelf in elke procedure inzake het gelasten van bewaring met het oog op verwijdering,  moet vaststellen of er sprake is van een noodsituatie, dan wel de vaststelling van de wetgever moet accepteren zonder eigen toetsing in elk concreet geval. Indien de rechter die de inbewaringstelling gelast, zelf moet nagaan of er sprake is van een noodsituatie, is er volgens de verwijzende rechter niet voldaan aan de voorwaarden aangaande een dergelijke noodsituatie, zodat vervolgens de tweede prejudiciële vraag rijst, of op grond van artikel 16(1) van richtlijn 2008/115 de wijzigingswet buiten toepassing moet blijven. Zo ja, dan moet het begrip „speciale inrichting voor bewaring” worden uitgelegd. Met de derde prejudiciële vraag moet worden verduidelijkt of de inrichting voor bewaring met het oog op verwijdering reeds wegens haar organisatorische integratie in het justitieel apparaat geen „speciale inrichting voor bewaring” kan zijn. Zo niet, dan moet met de vierde prejudiciële vraag worden verduidelijkt welke concrete vereisten aan een „speciale inrichting voor bewaring” moeten worden gesteld, meer in het bijzonder of het gebruiken van een gebouw voor gevangenen binnen de omheining van een inrichting in de weg staat aan de kwalificatie als „gespecialiseerde inrichting voor bewaring” van met het oog op hun verwijdering gedetineerde personen.

Prejudiciële vragen:

1. Dient het Unierecht, meer in het bijzonder artikel 18, leden 1 en 3, van richtlijn 2008/115/EG, aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechter die over de inbewaringstelling met het oog op verwijdering oordeelt, in elk concreet geval de voorwaarden van die bepaling, met name dat de uitzonderlijke situatie voortduurt, moet toetsen wanneer de nationale wetgever met een beroep op artikel 18, lid 1, in het nationale recht is afgeweken van de voorwaarden van artikel 16, lid 1?

2. Dient het Unierecht, meer in het bijzonder artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling welke tijdelijk – tot en met 1 juli 2022 – het onderbrengen van met het oog op  hun verwijdering gedetineerde personen in een penitentiaire inrichting toestaat, hoewel in de lidstaat speciale inrichtingen voor bewaring beschikbaar zijn en geen noodsituatie in de zin van artikel 18, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG dat dwingend vereist?

3. Dient artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG aldus te worden uitgelegd dat er reeds geen sprake is van een „speciale inrichting voor bewaring” van met het oog op hun verwijdering gedetineerde personen wanneer:

-           de „speciale inrichting voor bewaring” indirect onder hetzelfde lid van de regering, namelijk de minister van Justitie, ressorteert als inrichtingen voor bewaring van gevangenen die een straf uitzitten,

-           de „speciale inrichting voor bewaring” als afdeling van een penitentiaire inrichting is georganiseerd en daarmee wel beschikt over een eigen leiding, maar als een van meerdere afdelingen van de penitentiaire inrichting gezamenlijk ondergeschikt is aan de leiding van de penitentiaire inrichting?

4. Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord:

Dient artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG aldus te worden uitgelegd dat er sprake is van het onderbrengen in een „speciale inrichting voor bewaring” voor met het oog op hun verwijdering gedetineerde personen, wanneer een penitentiaire inrichting een gespecialiseerde afdeling inricht als detentiecentrum met het oog op verwijdering en deze afdeling een speciaal terrein met drie gebouwen binnen de omheining gebruikt voor met het oog op hun verwijdering gedetineerde personen en van deze drie gebouwen één gebouw tijdelijk uitsluitend wordt bezet met gevangenen die een vervangende vrijheidsstraf of een korte vrijheidsstraf uitzitten, waarbij door de penitentiaire inrichting wordt gezorgd voor een scheiding van de met het oog op hun verwijdering gedetineerde personen en gevangenen, en in het bijzonder elk gebouw over een eigen inrichting beschikt (eigen kleedkamers, eigen ziekenafdeling, eigen sportruimte) en de binnenplaats / het buitenterrein weliswaar vanuit alle gebouwen is te zien, maar voor elk gebouw een eigen met gaashekwerk omheind terrein voor de gedetineerden beschikbaar is en er aldus tussen de gebouwen geen rechtstreekse toegang bestaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb