C-549/24 Direktor na Natsionalno tol upravlenie
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 22 oktober 2025 Schriftelijke opmerkingen: 8 december 2025
Trefwoorden: verkeersovertreding, tolheffingssysteem, bekeuring, rechterlijke toegang
Onderwerp: Richtlijn 2022/362 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan voertuigen: Artikel 7 bis, leden 1 en 3; Richtlijn 2019/520 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie: Artikel 24 en bijlage II; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: Artikel 47, eerste en tweede zin, artikel 48 en artikel 49, lid 3.
Op 12 juni 2023 om 11:04 uur werd verzoeker door de automatische elektronische tolsysteem geregistreerd terwijl hij op een tolweg reed zonder geldig vignet. Diezelfde dag kocht verzoeker om 12:05 uur een elektronisch jaarvignet, dat geldig zou zijn tot en met 11 juni 2024 om 23:59 uur. Omdat het vignet volgens de nationale tolheffingsautoriteit pas geldig werd op het moment van betaling kreeg verzoeker een bekeuring. Verzoeker is het hier niet mee eens en tekent bezwaar aan bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of een nationale wetgeving die bepaalt dat een elektronisch vignet pas geldig is vanaf het moment van betaling, verenigbaar is met het Unierecht, en of de nationale procedurele regels, die een beroep tegen een dergelijke bekeuring uitsluit, in lijn is met het Handvest.
Prejudiciële vragen: 1. Is op grond van artikel 7 bis, leden 1 en 3, van richtlijn (EU) 2022/362 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2022 tot wijziging van de richtlijnen 1999/62/EG, 1999/37/EG en (EU) 2019/520 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan voertuigen, een nationale regeling toelaatbaar als die van artikel 10a, lid 1, tweede zin, van de Zakon za patishtata (wegenwet), op grond waarvan „er [afhankelijk van de geldigheidsduur] vignetten [zijn] voor een periode van een jaar, een kwartaal, een maand, een week of een weekend die geldig zijn vanaf de dag die bij de betaling als eerste dag van geldigheid ervan is aangegeven”?
2. Is, gelet op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een nationale regeling toelaatbaar als die in het nationale recht, waarin niet is bepaald dat de autoriteit of de persoon die de tol int, moet voldoen aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 24 en bijlage II van richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie, en die inhouden dat aan de persoon die het wegennet heeft gebruikt zonder de verplichte tol te betalen, een kennisgeving moet worden toegestuurd met de in artikel 24 en bijlage II van richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 bedoelde informatie, en dat deze persoon in de gelegenheid moet worden gesteld de redenen voor de niet-betaling van de tolgelden aan te geven, en is de praktijk van de nationale autoriteit om niet te antwoorden op verzoeken van weggebruikers om intrekking van de aan hen opgelegde compenserende heffing, toelaatbaar?
3. Is, gelet op artikel 47, eerste en tweede zin, juncto artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een nationale regeling toelaatbaar als die in de artikelen 189f en 189g van de Zakon za dvizhenie po patishtata (wegenverkeerswet, hierna: ZDvP), op grond waarvan de eigenaar of de bestuurder van een voertuig, wanneer hij de compenserende heffing voor een rit betaalt die volgens de vaststellingen van de administratieve autoriteit plaatsvond zonder dat de tol was betaald, noch bij de administratieve autoriteit noch bij de rechter bezwaar of beroep kan instellen tegen de hem opgelegde compenserende heffing?
4. Is, gelet op artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een nationale regeling toelaatbaar die bepaalt dat het jaarvignet 87 leva (BGN) (45 EUR) kost, de compenserende heffing voor het gebruik van de weg, zonder voorafgaande betaling van de vignetvergoeding, forfaitair 70 BGN (36 EUR) bedraagt en de boete 300 BGN (overeenkomstig artikel 179, lid 3, ZDvP), zonder bij het bepalen van de hoogte van de compenserende heffing en de boete rekening te houden met het bedrag van de tol die niet werd betaald, hoe lang de overtreding duurde, in welke financiële situatie de eigenaar van het voertuig of de overtreder verkeert en welke kwaliteit de door de wegenbeheerder geleverde diensten hadden (zoals de kwaliteit van het wegdek, het vrije gebruik van de weg, de markering van de rijbanen, enz.)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -
Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV; EZ