C-555/21 UniCredit Bank Austria

Contentverzamelaar

C-555/21 UniCredit Bank Austria

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    13 december 2021

Trefwoorden : kredietovereenkomst, hypotheek, vervroegde aflossing, evenredige vermindering

Onderwerp :

-           Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van Raad

Feiten:

Verzoekster is een vereniging voor de behartiging van consumentenbelangen. Verweerster is een kredietinstelling die in het handelsverkeer met consumenten gebruik maakt van modelovereenkomsten bij de sluiting van door hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomsten. In deze modelovereenkomsten is, in het kader van vervroegde aflossing, de volgende clausule opgenomen: “Gepreciseerd dient te worden dat de administratiekosten die afhangen van de duur van de overeenkomst, niet – ook niet naar evenredigheid – worden terugbetaald”. Verzoekster heeft de Weense handelsrechter verzocht verweerster te veroordelen tot het staken van de toepassing van die clausule en tot openbaarmaking van het vonnis. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen en verweersters verzoek tot openbaarmaking van het afwijzende vonnis toegewezen. Het hoger beroep van verzoekster is gegrond verklaard en de vordering is in haar geheel toegewezen. De verwijzende rechter moet beslissen op het door verweerster tegen de beslissing in hoger beroep ingestelde beroep in Revision, strekkende tot herstel van het vonnis in eerste aanleg.

Overweging:

In het arrest Lexitor heeft het Hof artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus uitgelegd dat het recht van de consument op verlaging van de totale kredietkosten in geval van een vervroegde aflossing van het krediet zich uitstrekt tot alle kosten die de consument in rekening worden gebracht. Volgens de verwijzende rechter is de bewoording van de tweede volzin van dat artikel nagenoeg identiek aan de bewoording van artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17. De verwijzende rechter merkt echter ook op dat de richtlijn uit 2008 niet gold voor kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed. De verwijzende rechter stelt ten slotte dat zijn beslissing ervan afhangt of een uitlegging in de zin van het arrest Lexitor in casu aan de orde is.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die inhoudt dat in het geval waarin de kredietnemer zijn recht uitoefent om het kredietbedrag vóór het verstrijken van de overeengekomen duur volledig of gedeeltelijk af te lossen, de door hem verschuldigde rente en de kosten die afhangen van de duur van de overeenkomst naar evenredigheid worden verminderd, terwijl een overeenkomstige regeling ontbreekt voor kosten die niet afhangen van de duur van de overeenkomst?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-383/18

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK; JenV