C-671/21 Gargzdu gelezinkelis

Contentverzamelaar

C-671/21 Gargzdu gelezinkelis

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 januari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    21 februari 2022

Trefwoorden : spoorweginfrastructuur, overbelaste capaciteit, diensten

Onderwerp :

Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte

Feiten:

Op 03-04-2019 heeft verzoekster, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gargždų geležinkelis, een aanvraag ingediend voor de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur voor goederen- en diensttreinen, geldend tijdens de dienstregeling voor 2019-2020. Per brief van 03-05-2019 heeft de Litouwse overheidsdienst voor vervoersveiligheid (overheidsdienst) deze aanvraag ter beoordeling doorgestuurd aan de infrastructuurbeheerder. Op 10-07-2019 heeft de infrastructuurbeheerder een conceptversie van de dienstregeling aan de overheidsdienst verstrekt en meegedeeld dat het wegens de beperkte capaciteit op bepaalde onderdelen van de spoorweginfrastructuur niet mogelijk was om alle door aanvragers verzochte capaciteit in de dienstregeling op te nemen, aangezien sommige van deze aanvragen onderling onverenigbaar waren. De infrastructuurbeheerder gaf ook aan dat het niet mogelijk was om hun het gebruik van de verzochte capaciteit op andere tijdstippen of op alternatieve trajecten aan te bieden, omdat de maximale capaciteit op bepaalde delen al bereikt was. Op 30-09-2019 heeft verzoekster de overheidsdienst gevraagd om het optreden van de infrastructuurbeheerder te onderzoeken. De overheidsdienst heeft geoordeeld dat het optreden van de infrastructuurbeheerder bij het beoordelen en coördineren van aanvragen in overeenstemming was met de vereisten van de destijds geldende wetgeving, en de rechten en gerechtvaardigde belangen van verzoekster niet schond. Bij besluit van 17-10-2019 heeft de directeur van de overheidsdienst beslist om de aangevraagde capaciteit niet aan verzoekster toe te wijzen op grond van het feit dat er geen capaciteit beschikbaar was. Krachtens de prioriteitsregel die is neergelegd in punt 28 van de regeling, werd de capaciteit toegewezen aan andere ondernemingen. Verzoekster is tegen dit besluit opgekomen.

Overweging:

De verwijzende rechter wijst erop dat richtlijn 2012/34 bepaalt dat er twee opties voor capaciteitstoewijzing zijn in het geval van een overbelaste infrastructuur: een heffing bij overbelaste infrastructuur en prioriteitsregels. In de onderhavige zaak was de in punt 28 van de regeling vastgestelde prioriteitsregel de enige maatregel die als antwoord op het probleem van overbelaste infrastructuur in de betrokken periode was voorzien. Verzoekster stelt dat de prioriteitsregel in het nationaal recht, die bepaalt dat in gevallen waarin de capaciteit wordt toegewezen aan een vervoerder die op meerdere dagen vervoer verzorgt of meerdere ritten uitvoert, niet waarborgt dat het non-discriminatiebeginsel wordt geëerbiedigd. Naar mening van de infrastructuurbeheerder blijkt uit het feit dat verzoekster niet in staat is om een intensiever gebruik van het net te waarborgen dat zij niet in staat is om te zorgen voor een zo efficiënt mogelijke benutting van de spoorweginfrastructuur, waarop de prioriteit in verband met een intensiever gebruik van het net is gebaseerd. De verwijzende rechter heeft in twee opzichten twijfels over de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2012/34: ten eerste de bepalingen betreffende de toepassing van de prioriteitsregels in het geval dat openbare spoorweginfrastructuur overeenkomstig artikel 47 van de richtlijn tot overbelaste infrastructuur wordt verklaard, en ten tweede de bepalingen betreffende de procedure voor de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur zoals bepaald in die richtlijn. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter  of de eerste en tweede volzin van artikel 47, lid 4, van richtlijn 2012/34 moeten worden beoordeeld als een eenduidig verbod op het vaststellen van een wettelijke regeling op grond waarvan, in het geval van overbelaste infrastructuur, bij de capaciteitstoewijzing rekening gehouden kan worden met de intensiteit van het gebruik van de spoorweginfrastructuur. Verder twijfelt de verwijzende rechter over de in artikel 47, lid 1, van richtlijn 2012/34 bepaalde strekking van de verplichting van de infrastructuurbeheerder of de capaciteitstoewijzende instantie om de aangevraagde treinpaden te coördineren en te overleggen met aanvragers voordat de infrastructuur tot overbelast wordt verklaard.

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 43, lid 4, eerste en tweede volzin, van richtlijn 2012/34/EU aldus te worden uitgelegd dat het uitdrukkelijk verbiedt om een nationale wettelijke regeling vast te stellen waarin wordt bepaald dat, in het geval van een overbelaste infrastructuur, op het moment van toewijzing van capaciteit rekening gehouden kan worden met de intensiteit van het gebruik van de spoorweginfrastructuur? Is het voor deze beoordeling van belang of de bezettingsgraad van de spoorweginfrastructuur verband houdt met de feitelijke benutting van die infrastructuur in het verleden of de geplande benutting gedurende de periode waarin de relevante dienstregeling geldig is? Hebben de artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34/EU, die de infrastructuurbeheerder of de instantie die beslist over de capaciteit een ruime beoordelingsmarge toekennen om de gevraagde capaciteit te coördineren, alsmede de omzetting van die bepalingen in het nationaal recht enige betekenis bij deze beoordeling? Heeft het feit dat infrastructuur in een specifiek geval tot overbelaste infrastructuur is verklaard naar aanleiding van de aanvraag van capaciteit door twee of meer spoorwegondernemingen in verband met het vervoer van dezelfde goederen enige betekenis voor deze beoordeling?

2. Houdt de bepaling van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2012/34/EU dat „[d]e infrastructuurbeheerder [...] binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit [kan] verlenen aan specifieke diensten, maar enkel in overeenstemming met de artikelen 47 en 49” in dat de infrastructuurbeheerder tevens een nationale prioriteitsregel mag toepassen in gevallen waarin de infrastructuur niet tot overbelaste infrastructuur is verklaard? In hoeverre (op grond van welke criteria) dient de infrastructuurbeheerder, voordat infrastructuur tot overbelaste infrastructuur wordt verklaard, de aangevraagde treinpaden te coördineren en te overleggen met aanvragers krachtens artikel 47, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2012/34/EU? Moet dat overleg met aanvragers de beoordeling omvatten van de vraag of twee of meer aanvragers concurrerende aanvragen hebben ingediend voor het vervoer van dezelfde goederen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: SJ (C-388/17), Commissie/Spanje (C-483/10),

Specifiek beleidsterrein: IenW