C-681/21 Versicherungsanstalt offentlich Bediensteter, Eisenbahnen und Bergbau

Contentverzamelaar

C-681/21 Versicherungsanstalt offentlich Bediensteter, Eisenbahnen und Bergbau

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 januari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    23 februari 2022

Trefwoorden : ambtenaren, pensioenuitkering, Wijzigingswet, gelijke behandeling

Onderwerp :

Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep

Feiten:

De andere partij in de procedure is op 10-11-1946 geboren en is op 31-12-2011 met pensioen gegaan. Bij besluit van verzoekende overheidsinstantie is vastgesteld dat de andere partij in de procedure met ingang van 01-01-2012 recht had op een pensioenuitkering en op een pensioentoelage. Met ingang van 01-01-2015 zijn de pensioenuitkeringen van de andere partij in de procedure aangepast. In een brief heeft zij gesteld dat de toepassing van § 41, lid 3, PG 1965 in dit verband richtlijn 2000/78 zou schenden. Die wettelijke bepaling benadeelt volgens haar namelijk oudere (vóór 01-01-1955 geboren) ambtenaren ten opzichte van jongere ambtenaren. De andere partij in de procedure heeft dan ook gevorderd dat bij besluit het ambtenarenpensioen zou worden vastgesteld waarop zij vanaf 01-01-2015 recht had, alsmede dat het verschil in de uitkeringen zou worden nabetaald. Verzoekende overheidsinstantie ging er van uit dat de discriminatie op grond van leeftijd door een wetswijziging in 2018 met terugwerkende kracht was opgeheven doordat § 41, lid 3, PG 1965 sindsdien ook van toepassing was op de kleine groep personen ten opzichte waarvan de andere partij in de procedure voordien werd gediscrimineerd. Het Bundesverwaltungsgericht heeft geoordeeld dat het beginsel van formele rechtskracht in de weg staat aan de inwilliging van het verzoek tot vaststelling van het bedrag van de pensioenuitkering voor het jaar 2015, zodat dit verzoek moet worden afgewezen. Die rechter heeft bovendien het bedrag van de pensioenuitkeringen voor de jaren 2016 tot en met 2020 vastgesteld en geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een te hoge pensioenuitkering. Ter motivering heeft zij uiteengezet dat de aan de orde zijnde discriminatie op grond van leeftijd weliswaar door de wijzigingswet is opgeheven wat de bewoordingen betreft, maar dat dit alleen er niet toe leidt dat de andere partij in de procedure niet langer wordt gediscrimineerd. De berekeningsmethode is helemaal niet gewijzigd en de niet-toepasselijk verklaarde bedragen zijn met terugwerkende kracht eenvoudigweg opnieuw toegepast. De wijzigingswet heeft dan ook niet geleid tot een wezenlijke wijziging van de juridische situatie en § 41, lid 3, PG 1965 kan wegens schending van het Unierecht niet blijven worden toegepast.

Overweging:

Volgens vaste rechtspraak van het Hof  kan de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, wanneer er sprake is van een met het Unierecht strijdige discriminatie, alleen worden gewaarborgd door leden van de benadeelde groepen dezelfde voordelen toe te kennen als leden van de bevoordeelde groep. In het onderhavige geval moet de nationale rechter de discriminerende bepaling buiten toepassing laten en moet de gediscrimineerde ambtenaren het verschil in uitkering worden betaald. Dat duurt voort totdat de discriminatie doeltreffend is opgeheven. Volgens de vóór de wijzigingswet 2018 bestaande wettelijke situatie waren er drie groepen ambtenaren waarbij de jaarlijkse aanpassing van het pensioen op verschillende wijze plaatsvond.  Bij de wijzigingswet 2018 is de derde (bevoordeelde) groep met terugwerkende kracht opgeheven, aangezien de werkingssfeer van § 41, lid 3, PG 1965 tot deze groep is uitgebreid en de discriminatie is opgeheven doordat thans de derde groep en de (tot nog toe benadeelde) eerste groep met terugwerkende kracht even slecht worden behandeld. Krachtens het Unierecht bestaat bovendien de verplichting om discriminatie onverwijld en volledig op te heffen alsook een verbod om tot nog toe bevoordeelde personen hun in het verleden genoten voordelen te ontnemen. Bij de wijzigingswet 2018 werd echter de voorheen bevoordeelde groep met terugwerkende kracht de voordelen ontnomen waarop zij recht hadden. Indien de wijzigingswet 2018 zou worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht, zouden de ambtenaren die de discriminatie aan de orde hebben gesteld, bovendien op grond van de behandeling financiële kosten hebben moeten maken zonder dat de met succes aan de orde gestelde discriminatie hun uiteindelijk voordeel zou hebben opgeleverd.

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 2, lid 1 en lid 2, onder a), en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep alsook het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van eerbiediging van verworven rechten en het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling – zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is – die inhoudt dat een voorheen bevoordeelde groep ambtenaren met terugwerkende kracht niet langer recht heeft op pensioenbedragen die verschuldigd waren op grond van de aanpassing van het pensioen, en die er op deze wijze (het met terugwerkende kracht opheffen van de voorheen bevoordeelde groep door middel van de huidige gelijkstelling met de voorheen benadeelde groep) toe leidt dat ook de voorheen benadeelde groep ambtenaren geen recht (meer) heeft op de pensioenbedragen die verschuldigd waren op grond van de aanpassing van het pensioen, terwijl laatstgenoemde groep op die bedragen recht zou hebben wegens reeds (herhaaldelijk) door de rechter vastgestelde discriminatie op grond van leeftijd en het ten gevolge daarvan buiten toepassing laten van een met het Unierecht strijdige nationale bepaling ten behoeve van de gelijkstelling met de voorheen bevoordeelde groep?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: BZK