C-840/25 en C-10/26 Penny Market II e.a. 

Contentverzamelaar

C-840/25 en C-10/26 Penny Market II e.a. 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     10 mei 2026

Trefwoorden: vrij verkeer van goederen, vrijheid van vestiging, discriminatieverbod, doeltreffendheid, consumentenbescherming

Onderwerp: VWEU: artikelen 49 en 56; Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt: artikel 16, lid 1; Verordening 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten.

Deze gevoegde zaken gaan beide over een Hongaarse regeling op grond waarvan detailhandelaren in levensmiddelen met een jaaromzet van meer dan 1 miljard HUF op bepaalde categorieën producten verplicht worden een winstmarge van maximaal 10% toe te passen, en om een bepaalde hoeveelheid producten per dag te koop aan te bieden. Verzoekers hadden beide de regeling overtreden, en zij kregen een geldboete opgelegd. Zij stellen nu dat de nationale regeling in strijd is met het Unierecht. De Hongaarse rechter stelt dat de regeling het vrij verkeer van diensten beperkt, omdat het Hongaarse dienstverleners andere voorwaarden oplegt dan de dienstverleners van andere lidstaten buiten Hongarije. De rechter vraagt naar verenigbaarheid van de regeling met de vrijheid van vestiging, en het in artikel 16, lid 1, onder a) van richtlijn 2006/123 neergelegde discriminatieverbod.

Prejudiciële vragen C-840/25: 
1) Moeten de artikelen 49 en 56 VWEU en artikel 16, lid 1, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij, onder verwijzing naar een noodsituatie, uitsluitend detailhandelaren in levensmiddelen met een jaaromzet van meer dan 1 miljard HUF worden verplicht om op bepaalde productcategorieën een winstmarge toe te passen die niet hoger ligt dan de gemiddelde winstmarge voor deze producten in januari 2025 en die wordt beperkt tot maximaal 10 %, en waarbij dwingend een geldboete wordt opgelegd in geval van niet-nakoming van deze verplichting? 

2) Moet verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling waarbij, onder verwijzing naar een noodsituatie, uitsluitend detailhandelaren in levensmiddelen met een jaaromzet van meer dan 1 miljard HUF worden verplicht om op bepaalde productcategorieën een winstmarge toe te passen die niet hoger ligt dan de gemiddelde winstmarge voor deze producten in januari 2025 en die wordt beperkt tot maximaal 10 %, en waarbij dwingend een geldboete wordt opgelegd in geval van niet-nakoming van deze verplichting?

Prejudiciële vragen C-10/26:
1) Moeten artikel 49 VWEU en de GMO-verordening aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale maatregel waarbij, gelet op het gewapende conflict en de humanitaire ramp op het grondgebied van Oekraïne, met het oog op de opheffing en de beheersing van de gevolgen ervan in Hongarije en onder verwijzing naar de verlaging van de levensmiddelenprijzen teneinde Hongaarse gezinnen te beschermen, handelaren worden verplicht om binnen de werkingssfeer van de GMO-verordening vallende landbouwproducten te koop aan te bieden tegen een gereguleerde prijs (door een verplichte winstmarge toe te passen) en in een hoeveelheid die overeenstemt met de gemiddelde dagelijkse hoeveelheid die zij in het referentiejaar hebben verkocht, zodat de consument steeds kan worden bediend? 

2) Indien wordt vastgesteld dat de autoriteit van de lidstaat de geldboete en de procedurekosten in strijd met het Unierecht aan de handelaar heeft opgelegd, moet het Unierecht dan aldus worden uitgelegd dat de autoriteit van de lidstaat in dat geval niet alleen de geldboete en de procedurekosten moet terugbetalen, maar ook verplicht is rente te betalen tegen een rentevoet die overeenkomt met de wettelijke rentevoet die krachtens de algemene regels van toepassing is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-665/22 Amazon Services; C-695/21 Recreatieprojecten Zeeland e.a.; C-19/92 Kraus; C-482/18 Google Ireland; C-591/17 Oostenrijk/Duitsland; C-311/19 BONVER WIN; C-400/19 Commissie/Hongarije (Winstmarges); C-557/23 SPAR Magyarország; C-415/20, C-419/20 en C-427/20 Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a.; C-221/22 P Commissie/Deutsche Telekom; C-100/20 Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging).

Specifiek beleidsterrein: EZ