Opvangrichtlijn

Opvangrichtlijn

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 78, lid 2, aanhef en onder f, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU regels kan vaststellen op het gebied van de opvang van asielzoekers of van aanvragers van subsidiaire bescherming. De EU heeft deze regels neergelegd in richtlijn 2013/33. Deze richtlijn wordt ook wel de Opvangrichtlijn genoemd.

Algemeen

De Opvangrichtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied van een EU-lidstaat hebben ingediend. Onder het grondgebied van een EU-lidstaat vallen ook de grens, de territoriale wateren en de transitzones (artikel 3, lid 1, Opvangrichtlijn). De Opvangrichtlijn is echter niet van toepassing op ontheemden die bescherming hebben ontvangen op grond van de Tijdelijke beschermingsrichtlijn (artikel 3, lid 3, Opvangrichtlijn).

De autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat moeten aan de verzoeker informatie verstrekken over de voordelen die hij op grond van de Opvangrichtlijn kan genieten. Daarnaast moet informatie worden gegeven over de verplichtingen van de verzoeker in de opvangvoorziening. De informatie moet binnen een redelijke termijn van ten hoogste 15 dagen worden verstrekt (artikel 5, lid 1, eerste alinea, Opvangrichtlijn).

Naast het verstrekken van informatie moeten de autoriteiten van een verantwoordelijke lidstaat ook een op naam afgegeven document aan de verzoeker verstrekken. Uit dit document moet kunnen worden afgeleid dat de verzoeker het recht heeft om gedurende de behandeling van zijn verzoek, in de lidstaat te mogen verblijven (artikel 6, lid 1, eerste alinea, Opvangrichtlijn). Het is van belang om te benadrukken dat de afgifte van een document op naam niet noodzakelijkerwijs de daadwerkelijke identiteit van de verzoeker staaft (artikel, 6, lid 3, Opvangrichtlijn).

De verzoekers om internationale bescherming hebben het recht om zich vrij over het grondgebied van de lidstaat of een aangewezen gedeelte daarvan te kunnen bewegen (artikel 7, lid 1, Opvangrichtlijn). In specifieke gevallen kunnen de autoriteiten van een lidstaat bepalen dat de verzoeker om internationale bescherming op een bepaalde plek moet verblijven (artikel 7, lid 2, Opvangrichtlijn). Deze beperking van de bewegingsvrijheid moet expliciet in het verblijfsdocument van de verzoeker worden vermeld (artikel 6, lid 1, tweede alinea, Opvangrichtlijn).

De autoriteiten van de lidstaat moeten eveneens passende maatregelen nemen om de eenheid van het gezin te bewaren (artikel 12, Opvangrichtlijn). Daarnaast kunnen de autoriteiten van een lidstaat de verzoeker aan een medisch onderzoek onderwerpen. Voorwaarde hiervoor is wel dat dit om redenen van volksgezondheid noodzakelijk is (Artikel 13, Opvangrichtlijn).

Naar boven

Bewaring

Het uitgangspunt is dat een verzoeker om internationale bescherming niet in bewaring wordt gehouden (artikel 8, lid 1, Procedurerichtlijn). Slechts wanneer minder dwingende maatregelen niet effctief kunnen worden toegepast kan een verzoeker in bewaring worden gehouden. De verzoeker kan om de volgende redenen in bewaring worden gehouden (artikel 8, lid 3, Procedurerichtlijn):

  • om de identiteit of nationaliteit van de verzoeker vast te stellen of na te gaan;
  • om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden. Met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker;
  • om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;
  • indien hij ter voorbereiding van de terugkeer en/of ter uitvoering van het verwijderingsproces in bewaring wordt gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van richtlijn 2008/115, en de betrokken lidstaat op basis van objectieve criteria kan aantonen dat de betrokkene reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de betrokkene het verzoek om internationale bescherming louter indient om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te vermijden;
  • wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen;
  • in overeenstemming met artikel 27 van de Dublinverordening

De bewaring wordt schriftelijk bevolen door een administratieve of rechterlijke instantie van de lidstaat (artikel 9, lid 2, Opvangrichtlijn). Wanneer de bewaring door een administratieve instantie wordt bevolen, moet dit besluit ambtshalve of op verzoek van de verzoeker kunnen worden getoetst. Indien de rechterlijke instantie tot het oordeel komt dat de bewaring onrechtmatig is, moet de verzoeker onmiddelijk worden vrijgelaten (artikel 9, lid 3, Procedurerichtlijn). Een rechterlijke toetsing moet met tussenpozen worden herhaald om te beoordelen of er nieuwe omstandigheden aanwezig zijn die zich verzetten tegen bewaring (artikel 9, lid 5, Procedurerichtlijn).

Artikel 10 van de Procedurerichtlijn geeft nadere regels omtrent de voorwaarden waaronder verzoekers om internationale bescherming in bewaring kunnen worden gehouden. Dit artikel verplicht de lidstaten om verzoekers voor internationale bescherming in speciale accommodaties in bewaring te houden. Tevens geeft artikel 11 van de Procedurerichtljn een aantal waarborgen voor kwetsbare personen en personen met bijzondere opvangbehoeften. Het gaat onder meer om speciale voorschriften voor minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen en gezinnen.

  • ECER-bericht: EU-Hof: Illegaal mag bij rechter die moet oordelen over vreemdelingenbewaring verzoeken om internationale bescherming (1 juli 2020)

Naar boven

Opvangvoorzieningen

Materiële opvangvoorzieningen

Artikel 2, onder g, Opvangrichtlijn omschrijft wat onder materiële opvangvoorzieningen wordt verstaan. Het gaat om opvangvoorzieningen die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt (of een combinatie van deze drie). Daarnaast kan het ook gaan om een dagvergoeding. Huisvesting, voedsel en kleding vallen ook onder het begrip materiële opvangvoorzieningen.

In de artikelen 17 en 18 van de Opvangrichtlijn zijn nadere regels neergelegd omtrent de materiële opvangvoorzieningen. Zo schrijft artikel 18, lid 6, Opvangrichtlijn bijvoorbeeld voor dat een verzoeker om internationale bescherming alleen mag worden overgeplaatst wanneer dit strikt noodzakelijk is. Artikel 18, lid 9, Opvangrichtlijn biedt de lidstaten in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid om af te wijken van de materiële opvangvoorzieningen van artikel 18 Opvangrichtlijn. Deze afwijking mag niet zover gaan dat de basisbehoeften van de verzoeker niet worden gegarandeerd.

Artikel 20 van de Opvangrichtlijn geeft een regeling voor de beperking of de intrekking van materiële opvangvoorzieningen. Een lidstaat kan de voorzieningen onder meer intrekken indien de verzoeker zijn vastgestelde verblijfplaats zonder toestemming heeft verlaten of wanneer de verzoeker niet voldoet aan een meldingsplicht (zie verder artikel 20, lid 1, onder a-c, Opvangrichtlijn).

Op grond van artikel 20, lid 4, Opvangrichtlijn kunnen de autoriteiten van een lidstaat een sanctie aan de verzoeker opleggen indien hij de regels van het opvangcentra overtreedt of zich schuldig maakt aan ernstige vormen van geweld. Het intrekken van materiële opvangvoorzieningen die betrekking hebben op huisvesting, voedsel of kleding mag niet als sanctie door de lidstaat worden toegepast. Zelfs niet indien deze intrekking van tijdelijke aard is (C-233/18, Haqbin).

Naar boven

Andere opvangvoorzieningen

Artikel 2, onder f, Procedurerichtlijn bepaalt dat onder opvangvoorzieningen alle maatregelen vallen die in de richtlijn worden beschreven. De Procedurerichtlijn schrijft de volgende opvangvoorzieningen voor:

Naar boven

De positie van kwetsbare personen

Bij de toepassing van de Opvangrichtlijn moeten de autoriteiten van een lidstaat rekening houden met de specifieke situatie van minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, slachtoffers van mensenhandel, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.

Daarnaast moeten de autoriteiten van een lidstaat rekening houden met personen die foltering hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld (artikel 21 van de Opvangrichtlijn). De nationale autoriteiten van de lidstaat moeten beoordelen welke bijzondere opvangbehoeften een dergelijke verzoeker in zo'n geval heeft (artikel 22, lid 1, eerste alinea, Opvangrichtlijn).

De Opvangrichtlijn kent specifieke voorschriften ten aanzien van minderjarigen (artikel 23 van de Opvangrichtlijn), niet-begeleide minderjarigen (artikel 24 van de Opvangrichtlijn) en slachtoffers van foltering en geweld (artikel 25 van de Opvangrichtlijn).

Naar boven

Rechtsmiddelen

Verzoekers om internationale bescherming moeten een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen instellen tegen beslissingen die betrekking hebben op de toekenning, intrekking of beperking van voorzieningen op grond van de Opvangrichtlijn. Ook moeten de verzoekers om internationale bescherming een rechtsmiddel kunnen instellen tegen het besluit van een nationale autoriteit dat de verzoeker op een bepaalde plaats moet verblijven (artikel 26, lid 1, Opvangrichtlijn).

Om de daadwerkelijke toegang tot de rechter mogelijk te maken moeten de lidstaten gratis rechtbijstand en vertegenwoordiging beschikbaar stellen (artikel 26, lid 2, eerste alinea, Opvangrichtlijn). In artikel 26, leden 3 tot 5, Opvangrichtlijn zijn afwijkingen en modaliteiten op de beschikbaarstelling van gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging opgenomen.

Naar boven